Opgeruimd staat netjes

In de loop der tijd werden in wisselende loodsen en gebouwen binnen de vesting Gorinchem militaire materialen en wapens opgeslagen. Met de bouw in 1755 van het Arsenaal (Tuighuis) en Affuitloods aan de Boerenstraat en in 1838 affuitloodsen bij de Tolkazerne werd dit meer gestructureerd.

Arsenaal (Tuighuis) 1755. Foto Hugo Ouwerkerk.

Mensen stellen hier wel eens vragen over, zoals: wat is een Arsenaal, Tuighuis, of Affuitloods? Wat werd er opgeslagen en hoe werd het opgeslagen. Hoe zit het met kanonnen; stonden die altijd op de vestingwal zoals heden ten dage of werden die opgeslagen?

De affuitloodsen bij de Tolkazerne. Foto Hugo Ouwerkerk.

De Historische Vereniging Oud-Gorcum (HVOG) heeft wat militaire instructieboekjes in de historische collectie, waaronder het boekje “Handboek Onderofficieren en Korporaals der Artillerie tweede deel, hoofdstuk X-XXI” uit 1880. Hierin opgenomen is ook een hoofdstuk “X. Het opleggen en bewaren van Artilleriematerieel”. Hierin vallen de volgende voorschriften te lezen:

Collectie Historische Vereniging Oud-Gorcum.

Om te beginnen moet de onderofficier of korporaal de werkzaamheden ten behoeve van het opleggen van artilleriematerieel op een juiste wijze besturen met oog voor de capaciteiten van de hiervoor ingezette manschappen. Hij handhaaft daarbij de orde door het voortdurend vorderen van stilte en oplettendheid.

Het verwerken van materieel moet steeds met overleg en omzichtigheid geschieden. Het materieel moet, alvorens opgelegd te worden, goed worden onderzocht, schoongemaakt en van bederf te worden gevrijwaard. Indien men bij het schoonmaken en plaatsen van materieel hierop moet klimmen dienen de betreffende manschappen te zijn voorzien van “magazijnschoenen”.

In gewone tijden worden de vuurmonden (kanonlopen), alsmede de ronde kogels en de ronde projectielen (bommen of granaten) in de open lucht opgelegd. De Coehoornmortieren en overige voorwerpen tot het Artilleriematerieel behorende worden zoveel mogelijk in gebouwen opgelegd.  Alle voorwerpen worden zoveel als mogelijk soortgewijs en in een bepaalde volgorde opgelegd en wel zodanig, dat zowel tussen die voorwerpen als tussen de wanden der lokalen de nodige gangen open blijven, teneinde het materieel behoorlijk te kunnen naderen.

Fragment plattegrond 1835. Regionaal Archief Gorinchem THA0-154.

Op bovenstaand kaartfragment het Arsenaal in Gorinchem, wat dus in 1835 al Tuighuis genoemd werd. Hierop is de buitenopslag te zien; het kanonplein en het kogelplein. Tevens is de Affuitloods te zien, naast het kogelplein.

In een Tuighuis zou men denken, dat daar paardentuig wordt opgeslagen, wat ook logisch lijkt, gezien het feit dat de artillerie en alle militaire wagens door paarden werden getrokken en men dus veel paarden en paardentuig had. Echter toch werd het woord Tuighuis gewoon als een ander woord voor Arsenaal gebruikt.

In het Handboek officieren van het Korps Ingenieurs, Mineurs en Sappeurs uit 1837, door J.D. Pasteur,  staat de volgende specificatie van een Arsenaal:

Vervolg der voorschriften:

Nieuw en gebruikt materieel mag men niet door elkaar opleggen, evenals herstelbaar of onbruikbaar materieel. Materieel, wat door worm of mot is aangedaan moet altijd afgezonderd worden. Men moet materieel zo min mogelijk tegen muren zetten. Indien onvermijdelijk  dan moet men het door een plank of lat hiervan afscheiden. Op vloeren van steen of zand, moet men het materieel plaatsten op zwalpen, zijnde stukken van oude beddingplanken of ander onbekwaam hout. Tussen opgestapelde houten voorwerpen worden korte latjes gelegd, om beschadiging en verstikking te voorkomen.

Een benedenlokaal met straatstenenvloer in het Arsenaal aan de Boerenstraat te Gorinchem. Fotocollectie Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE).

De affuiten en voertuigen worden zoveel als mogelijk in de benedenlokalen der magazijnen opgelegd. Bij soort- en kalibergewijze volgens het doorlopend nummer, waarmee zij in elke vesting  gemerkt zijn, met het laagste nummer vooraan. Men plaatst voertuigen nimmer met de disselboom op de grond, maar ondersteunt ze zo dicht mogelijk bij het trekhout. De aan de voertuigen aangestoken raden (wagenwielen) worden om de drie maanden gekeerd en moeten steeds op het nummer van het lopende kwartaal staan.

Om de ruimte zoveel mogelijk te benutten, worden de affuiten van de kanonnen in elkaar geschoven en dus zo dicht mogelijk tegen elkaar gezet. Belegeringsaffuiten worden in de lengte der lokalen of loodsen geplaatst. De eerste affuit met de kop nabij het uiteinde van het lokaal met de staart op de grond rustende. De tweede met de staart omhoog op de zijwangen van de eerste, zo nabij als mogelijk en zo voort, de raden om en om, rechts of links uitspringende. Bij een affuitloods met twee tegenover elkaar liggende uitgangen begint men in het midden met twee affuiten met de koppen tegen elkaar.

Vestingaffuiten op raam. Het geheel wordt ook wel walaffuit genoemd. Foto Hugo Ouwerkerk.

Vestingaffuiten zonder raden worden op de koppen der zijwangen geplaatst, zo dicht mogelijk tegen elkaar. Ramen tot vestingaffuiten worden overeind of op een zijde, staande naast elkaar, of plat op de grond geplaatst . In het laatste geval legt men een rij van twee ramen naast elkaar en een tweede rij omgekeerd daarop.

Zo gaan deze voorschriften door, betreffende alle soorten affuiten, wagens en ander uiteenlopend  materieel. Maar het komt er op neer dat al het materieel waarvan de conditie onder invloed van weer en wind slechter werd, normaal gesproken binnen was opgeslagen, op een zorgvuldige en efficiënte wijze. Het werd tijdens opslag ook regelmatig gecontroleerd  en onderhouden.

Foto beschikbaar gesteld door Cor Wats.

Echter vanaf 1862 werd de vestingartillerie een vast onderdeel van het garnizoen en werd er veel geoefend met kanonnen op de Dalemwal. Zodoende stonden er toch vaak veel kanonnen op de vestingwal. Vanaf eind 19e eeuw zijn hiervan  veel  foto’s. In die tijd waren dat al wel moderne achterlaadkanonnen.

Tot zo ver dit artikel.

Schrijver:            Hugo Ouwerkerk

Redactie:            Guus Haandrikman.