RONDTOLLEN

Het in 1598 als laatste Tolhuys gemaakte gebouw, nu bekend als de Tolkazerne.                           Foto Hugo Ouwerkerk.

Dit derde deel in de serie “Vestinghoofdbrekens”, geschreven door Bert Stamkot gaat over tolgebouwen rond en vooral in Gorinchem.

De Gorcumse tol is waarschijnlijk in 1420 vanuit Woudrichem overgeheveld en vermoedelijk heeft men er vanuit drie elkaar opvolgende gebouwen tol geheven, vanwege de (boven)gewestelijke overheid. Over deze gebouwen zijn in de loop der jaren nogal wat vragen en misverstanden gerezen, die wij de revue zullen laten passeren, zonder daarbij het laatste woord te willen hebben. Waar vond in het Nederlandse delta- en rivierengebied tolheffing plaats en in hoeverre was deze gerelateerd aan verdedigingswerken? Evident is het voorts dat ook de tol(heffing) te Gorinchem alleen begrepen kan worden door het in zo’n ruimer kader te plaatsen. Dat kader kan ons misschien wel wat doen duizelen, maar ook kan elke zwiep met feiten de tol zo laten draaien dat wij ook aan deze geschiedenistour enig plezier beleven.

Kinderen spelend met tollen; de Werptol. Illustratie uit: Luyken, Jan. Des menschen begin, midden en einde. Amsterdam: Wed. Pieter Arentsz II en Cornelis van der Sys, 1712, Rijksmuseum, licentie Creative Commons CC-Zero, Publiek domein.

Het tolregaal

Vanaf de vroege middeleeuwen stond de vorst (koning of keizer) symbool voor de eenheid van zijn rijk, voor de overheid, voor het algemeen belang. In die zin beschikte de vorst dan ook over het nog onontgonnen, woeste landschap (het wildernisregaal)[1 en de rivieren en andere natuurlijke binnenwateren (het stroomregaal) en was hij gerechtigd om van de gebruikers van die wateren, vooral schippers, een bijdrage te vragen, tol te heffen.

Vroege tolheffing wordt vermoed of is bekend ten aanzien van enkele plaatsen (op het huidige Nederlandse grondgebied) gedurende de periode tot circa 1100. Mogelijk gold dat al voor de (verdwenen) handelsnederzetting Dorestad aan de Kromme Rijn, Tiel vanaf 917, voor Deventer aan de IJssel (936-1040), bij Alkmaar (eind tiende eeuw), Groningen (1040) en Zaltbommel aan de Waal in of vanaf 1104.[2]

Nu zult u zeggen, wij kennen nog een tolplaats, waarvoor kortelings zelfs een millenniumviering is georganiseerd: Vlaardingen (1018)! Daar waar de Merwede (lees: de huidige Nieuwe Maas) in de toenmalige brede Maasmond uitkwam, daar was het een brutale lokale graaf Dirk III, die zich illegaal het tolregaal had toegeëigend en met name de Tielse schippers belastte, die daarop bij de keizer hun beklag deden.[3] Tolheffing te Deventer en Tiel was door de vorst aan de bisschop van Utrecht gegund en dus wel legaal. Ofschoon de keizer bij Vlaardingen tevergeefs probeerde de orde te herstellen[4] zijn er over latere tolheffing daar verder geen berichten overgeleverd.

Hollands tolstelsel

Floris III, graaf van Holland. Door Hendrik van Heessel – DAMS Antwerpen, Publiek domein, https://commons.wikimedia.orgw/index.php?curid=65417454.

Was er nog herinnering aan de betekenis van Vlaardingen? Voor het graafschap Holland bleef het aanvankelijk nog een belangrijke nederzetting met een sterkte en waar de bouw van een forse Romaanse kerk was gestart.[5] Terzelfder tijd, werd in 1179 door keizer Frederik Barbarossa officieel tolheffing aan graaf Floris III gegund[6] en gekozen voor een locatie op hemelsbreed 7,5 kilometer zuidwestelijk van Vlaardingen. Daar aan de zuidoever van de Maasmond en aan de oostzijde van de Bernisse een ‘tolplaats’ ingericht, het later tot stad verheven Geervliet.[7] Nog altijd bevindt zich daar aan de noordoostkant van de stadskern het nu volgebouwde Tolland.[8]

Topografische kaart 1881 Geervliet met parallellogramvormig tolterrein. Kadaster – Topotijdreis.nl.

Van belang is het tijdstip van de tolvestiging te Geervliet, na de storm- en overstromingsrampen van 1134 tot 1170, die het rivierenlandschap flink hadden veranderd.[9] Daardoor moest ook de tolheffing breder worden uitgerold wilde deze efficiënt zijn.[10] Geervliet nam in het westen de ideale toegang van zee in, maar voor steviger Hollandse controle waren tollen in het oosten en zuiden ook van belang, waar de rivieren IJssel, Lek, Waal/ Merwede, Maas en Striene het graafschap binnen kwamen.

Begunstigd door de nieuwe waterstaatkundige situatie, bleek Dordrecht een ideaal knooppunt voor al deze handelsstromen te worden. Daarvan waren de Hollandse graven snel overtuigd en binnen twee decennia (vanaf 1200) verrezen er al stenen (pak)huizen langs de natuurlijke haven, de ‘Thuredriht’.[11] Zodra er nu bij elke rivier een tol de Hollandse grens zou afbakenen, dan kon Dordrecht met een tol (1220) als verplichte stapelplaats (1299) gaan fungeren.[12] Alle goederen moesten dan daar worden aangeboden en/of worden verhandeld alvorens deze te kunnen doorvoeren. Met het opschuiven van de grenzen, werd ook de tolheffing (uitgezonderd Geervliet) verplaatst. Wij zien dan ook de volgende ontwikkelingen aangegeven in de tabel hieronder.

© Bert Stamkot

Er werden ook kleinere tollen opgericht langs wegen en aan natuurlijke en/of gegraven binnenwateren. Dat kan nogal eens tot verwarring leiden. Was een ‘grote’ tolplaats als Woudrichem dan toch nog in gebruik? En waren Almsvoet en Dubbelmonde extra tolplaatsen langs de Oude Maas? Of markeerden zij de aftakking en samenvloeiing van de Dubbel uit of in de Oude Maas? Maar ook de handeldrijvende en belastingheffende middeleeuwer was enige efficiency niet onbekend. Vier tollen langs de Oude Maas was hinderlijk, de aan- of aftakking (en dan nog wel via de Dubbel en een aftakking daarvan naar Dordrecht) viel wel binnen redelijk geachte regelzucht.

Een blad van de historische kaart van Holland, Zeeland en West-Friesland in 1300 uit de ‘Geschiedkundige atlas van Nederland’, Anton Albert Beekman, 1913-1938.Collectie Universiteitsbibliotheek Utrecht.

Hinderlijk was ook dat elk vorstendom zijn eigen tol hief en voor de Rijn- en Maasvaart leidde dat over grotere afstand tot het passeren van tientallen tollen.[13] Gelukkig kon er wel een en ander gecompenseerd worden door tolvrijstellingen (zoals voor de Brabantse burgers van Den Bosch voor de tol in Geertruidenberg).[14] Wie vanuit Gorinchem de Waal of de Woudrichemse Maas opvoer kreeg ook al gauw te maken met Gelderse tolheffing aan de Waal te Zuilichem, Zaltbommel, Tiel en verder en te Maasdriel en Heerewaarden aan de Maas.[15] Buiten Gelre werd ook door andere aan Holland-Zeeland grenzende gewesten, Friesland, het Sticht Utrecht, Brabant en Vlaanderen tol geheven, zodat tolheffing vrijwel naadloos werd overgenomen zodra de handelswegen buiten de Hollandse grenzen werden vervolgd. Samenwerking met handelaren die elders over tolvrijdommen beschikten maakten langeafstand transporten dan wat goedkoper en efficiënter.

Hoe zagen tolgebouwen eruit?

Aangenomen mag worden dat de eerste tolheffing in de vroege middeleeuwen op een paar plaatsen vanuit een aanwezige sterkte werd georganiseerd en dat daarbij de tol zelf zo dicht mogelijk bij een zijtak van de hoofdrivier zal zijn geheven. Met name Dorestad, Vlaardingen en Tiel zullen eenvoudige walburgen hebben gekend. De vluchtburcht van Dorestad lag echter te excentrisch (landinwaarts),[16] terwijl het voormalige Romeinse castellum verder van de aftakking van de Lek was komen te liggen. Ofschoon ook Vlaardingen een hof landinwaarts had, lag de ronde kerkterp optimaal gelokaliseerd, hoewel deze eerst na 1018 (verder) is versterkt.[17] De vroegste versterking van Tiel zal aan de Waal bij de aftakking van de Dode Linge gezocht mogen worden.[17]

Satellietbeeld van Vlaardingen met de kerkterp. Google Earth.

In de dertiende eeuw ontstaat enig zicht op het uiterlijk van de tollen als zij de vorm krijgen van een toren die geleidelijk aan ontkoppeld raakt van een ouder of van een ander (nieuw gesticht) verdedigingswerk. Een tendens is ook dat de tolheffing verder gedelegeerd wordt, van een regionale heer, en vervolgens via pachtende familieleden naar pachters/tollenaars in functie.  

Detail van een rond 1490 vervaardigd schilderij waarop de Sint Elisabethsvloed is weergegeven. In het midden de Tolbrugstoren, die in 1544 is afgebroken. Regionaal archief Dordrecht, Collectie W. MeijersInventarisnummer555_21909.

Daar waar in hartje Dordrecht de beide Tolstraten bij het water van de Thuredriht (nu Voorstraat- en Wijnhaven) samenkomen lag de Tolbrug (nu het Scheffersplein). Aan de Voorstraat en de zuidkant van de brug verrees in 1284 de vleeshal met bovengelegen schepenkamer (het oudste stadhuis) met aan de noordkant een grote toren, die mogelijk al in 1273 bestond.Deze Tolbrugstoren rees boven de stad uit en bood goed zicht over de Wijnhaven die zich vanaf de brug noordwaarts verbreedde tot een ideale haven.

De Tolbrugtoten op het stadszegel van Dordrecht. https://www.facebook.com/hethofvannld/photos/uitgelicht-het-zegeleen-stadszegel-is-een-soort-handtekening-van-de-stad-al-in-d/3910870745633484/

De toren zou het stadszegel vanaf 1286 gaan sieren om tot een witte balk in het rode stadswapen te stollen, hij had dan ook meer het karakter van een stadstoren of belfort. Omstreeks 1540 is de ‘seer ouden Toorn’ afgebroken.[19]

Detail van een kaart van het Scheldegebied, met in het midden het tolhuis van Iersekeroord (collectie Museum aan de Stroom, Antwerpen).

Van Iersekeroord is een tekening bewaard, die de situatie van voor de vernietigende stormvloed van 1530/1532 weergeeft: een aan de oever van de Oosterschelde staande forse toren onder een schilddak en met wat bijgebouwen binnen een vestinggracht.[20] Er zijn verder weinig afbeeldingen overgeleverd van toltoren-achtige gebouwen. De gevonden fundamenten van een achtkantige donjon aan de Oude Maas te Heusden dateren van eind twaalfde eeuw en werd wel met tolinning geassocieerd,[21] maar die tolheffing startte wat later en dus zal de sterkte in de eerste plaats als huisvesting en machtsbasis voor de heren van Heusden hebben gediend. Waarschijnlijk werd de tol te Moordrecht aan de IJssel en te Ammers(tol) aan de Lek vanuit een toren geheven, later gebeurde de heffing iets verderop, respectievelijk te Gouda en Schoonhoven vanuit de al daar gebouwde kastelen en vervolgens in de directe nabijheid daarvan.[22] In Geervliet vestigden de heren van Putten zich niet op de tolplaats maar stichtten zij in 1246 een nieuw kasteel aan de zuidkant van het stadje.[23]

Langs de Merwede naar Gorinchem

Laten wij nu eindelijk voor ons tolverhaal vanuit Dordrecht richting Gorinchem gaan. Aan de Sliedrechtse noordoever van de Merwede, werd achter het huidige dijk-adres Baanhoek 137-143 en iets westelijk van de Tolsteeg een vierkant terreintje ingericht met een tolhuis, dat waarschijnlijk uit een toren met een voorhof bestond.[24] Graaf Willem III bevestigde eind 1242 de tolheffing te Niemandsvriend,[25] zoals deze impopulaire locatie van meet af aan heette. Toen er aan de overkant, twee kilometer stroomafwaarts, het in 1307-1335 gebouwde Huis te Merwede was verrezen[26] en terzelfdertijd (1332) het Land van Altena onder Hollandse controle was gekomen,[27] kon Niemandsvriend worden afgedankt, waarna de restanten rond 1600 weliswaar verdwenen, maar het terrein op de kadasterkaart van 1832 nog wel te herkennen was.[28]

Kavel 447 (rood onderstreept) is het terrein van de voormalige tol Niemandsvriend.

De heer van Altena, Willem VI van Horne, begiftigde zijn hoofdplaats Woudrichem met stadsrechten en mocht de grafelijke tol aldaar gaan voortzetten (1356), want de stad lag nog gunstiger daar aan de samenvloeiing van (Woudrichemse) Maas en Waal en nabij de grens met Gelre.[29] Waarschijnlijk vond de tolheffing plaats vanuit het hof-complex tussen Molenstraat en Rijkswal en bewesten de Waterpoort. Het werd en wordt althans met Jacoba van Beieren geassocieerd, voor wat betreft het laatmiddeleeuwse huis Molenstraat 8. De zogeheten Hof-toren werd in 1852 afgebroken.[30] Het is verleidelijk om daarin een toltoren te zien, hoe dan ook bood het goed zicht op de rivier. Ruim na het overhevelen van de tolfunctie naar Gorinchem werd het hof-complex in 1474 ingericht als kruisherenklooster.

Hoftoren naar tekening van A. Oltmans juni 1836. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Creative Commons Attribution-Share Alike 4.0 International license. Wkimedia Commons.

Jacoba van Beieren raakte uit de gratie, wat bij de Zoen van Woudrichem in 1419 werd bevestigd. Onderwijl was Gorinchem na de Arkelse Oorlog in 1412 geheel onder controle van Holland gekomen, terwijl die stad qua omvang, bevolking en economische betekenis Woudrichem ruimschoots had overvleugeld. Wellicht nog in 1419, maar zeker rond mei 1420 moet de grafelijke tol naar Gorinchem zijn verplaatst.[31] Op 1 juli 1420 werd Gerrit Smoutriem als eerste tolbeziener aangesteld.[32] De nieuwe graaf Philips van Bourgondië bepaalde in 1425 dat de van Woudrichem verplaatste tol in Gorinchem zou blijven en bekrachtigde zulks drie jaar later nog eens in die stad zelf.[33] De tol bleek derhalve voor laatstgenoemde stad een zekerheidje te zijn geworden.

De Gorcumse tollocatie

Hooguit een jaar na de overname van Gorinchem in 1412 werd gestart met de bouw van het kasteel aan de Merwede.[34] Dat betrof primair het vierkante terrein in het zuidwesten van het latere complex. In december 1417 weerstond het slot al een aanval van een leger onder aanvoering van Jacoba van Beieren.[35] Hierin lag de politieke aanleiding om de grafelijke tol vanuit het pro-Jacoba geachte Woudrichem over te hevelen naar Gorinchem. De al in 1415 in gang gezette werving en aankoop van grond benoorden het kasteel en beoosten (het verlengde van) de Molenstraat werd voortgezet[36] en maakte het mogelijk om de buitenmuur van het kasteel in oostelijke richting te verlengen.

© Bert Stamkot

Van belang is de aankoop in 1421 van een strook grond van Heyn Schoncken aan de Langendijk (Het Eind ter hoogte van de Waterpoort), dat benoorden de nieuwe slotgracht lag. Het grensde aan een erf van Jan Buyzer, dat ondieper was en in het westen tot aan de watergang reikte. Ten zuiden van het terrein van Schoncken lag een perceel, waarop Peter Clover een huisje had staan, dat tot tolhuis ingericht en van een torentje voorzien werd. Vervolgens werden er 48 karren puin gehaald van de afgebroken keuken van het Arkelse hof in de Krijtstraat om de straat te maken die liep van de slotingang tot de ‘Tolhuys wert’.[37] Het lijkt erop, dat het smallere erf van Buyzer is gebruikt voor de aanleg van de straat, mogelijk met gebruikmaking van een achteruitgang (van de Molenstraat tot aan de watergang) wat de Tolsteeg is geworden. Het erf van Schoncken komt nog altijd overeen met de strook bezuiden de Tolsteeg.[38]

De nieuwe slotgracht liet dan een ‘wert’ – ik lees liever werf – over langs de dijk, waarop het tolhuisje, dat dan later tot een fors gebouw zou uitgroeien en dat het hele erf zou gaan beslaan. De erven van Schoncken en het tolhuis, die voor het slot lagen zijn door de grafelijkheid gekocht, waarvoor in 1423 werd betaald.[39]

Het meeste aangevoerde puin zal nodig zijn geweest om het hoogteverschil met de dijk te overbruggen en /of iets van een kade te creëren, wat voor tolheffing wel zo nuttig zou zijn. Dwars voor het Tolhuis zou nog een ‘muurtje’ zijn gemetseld, waarvoor 14.000 stenen waren gekocht.[40] Indien twee steens dik zal deze muur zo’n 150 vierkante meter hebben kunnen afschermen en enige ruimte, de tolplaats,[41] hebben geboden vóór het Tolhuis. Aangezien de slotgracht met zo’n 30 meter [42] even breed was als de tolhuiswerf zal de muur dus ongeveer 5 meter hoog zijn geweest en zijn aangesloten op de nieuwe muur van de voorburcht en de oude stadsmuur over het Eind. Mogelijk was de oorspronkelijke stadsmuur hier tijdelijk verwijderd, als er met de gedachte gespeeld zou zijn om de slotgracht te verlengen tot aan de havenmond.

Het eerste Tolhuis

Wanneer het huisje van Peter Clover, dat tot tolhuis met torentje was ingericht,[43] werd vervangen is vooralsnog onbekend. Maar het gebouw dat wij vooral kennen van het op 1568 gedateerde schilderij ‘Gorinchem vanuit het oosten’ oogt representatief en lijkt van een bouwkundig plan te getuigen. Een hoog (in blauw aangegeven) leiendak met twee grote schoorstenen en een Vlaamse trapgevel als iets naar rechts geplaatste middenpartij. Hierin zijn minstens vier vensters en een zolderraampje te onderscheiden. Een wat oudere schematische vogelvlucht-tekening van (half) Gorinchem vanuit het zuiden is redelijk gedetailleerd voor wat het kasteelcomplex betreft. Het tolhuis is hier vooral van bovenaf te zien, maar het leiendak met het dak van de middenpartij lijken te onderscheiden. De westgevel is enigszins zichtbaar met drie zoldererkers en vier vensters die zich ruim boven de plint (tevens kade van de slotgracht) bevinden. In beide gevallen is ook iets te ontwaren van de aangrenzende bouwsels aan de zuidkant en de noordzijde (op het voormalige Schoncken-erf). Tenslotte bevestigen de diverse plattegronden van Jacob van Deventer (omstreeks 1550) dat de slotgracht aan de oostzijde wordt afgesloten door bebouwing (van het Tolhuis).

Schilderij uit 1568, Gorinchem vanuit het oosten gezien. Collectie Gorcums Museum. Objectnummer 2576 A.

Detail.

Detail van kaart Gorinchem in vogelvlucht binnen de stadsmuur vanuit het zuiden met het complex van de Blauwe Toren, met het tolhuis bij de pijl. Regionaal Archief Gorinchem PK 24.

Detail van de stadskaart Woudrichem en Gorinchem 1545 door Jacob van Deventer. Bron: Biblioteca Nacional Espana. Publiek domein.

Tussen 1462 en 1479 werd in opdracht van Karel de Stoute dat sterke natuurstenen ronde fort of Blauwe Toren gebouwd, waarvoor het Gorcumse slot van 1412 deels was geamoveerd.[44] In 1522 startten in opdracht van landvoogdes Margaretha van Oostenrijk de werkzaamheden aan de aanmerkelijke verhoging van het kasteel. De uitvoering stond onder leiding van de bekende bouwmeester Rombout Keldermans (1460-1531).[45] Zowel het oorspronkelijke deel als de bovenbouw kunnen én afzonderlijk én gezamenlijk als ‘een hoogst ongebruikelijk ontwerp’ worden beschouwd.[46] Toch kan het zijn dat het Tolhuis in dezelfde periode is vernieuwd of nieuw is opgetrokken, want de familie Keldermans was ook bij andere projecten in Gorinchem betrokken, zoals bij de bouw van de kerktoren en het – overigens niet uitgevoerde – plan (van 1528) voor een nieuw koor aan de Sint-Maartenskerk.[47]

Margaretha van Oostenrijk door Bernard van Orley – foto Paul Hermans, Publiek domein. Margaretha van Oostenrijk door Bernard van Orley – foto Paul Hermans, Publiek domein. Wikimedia Commons.

Markiezenhof door M. Minderhoud – Eigen werk, CC BY-SA 3.0, Wikimedia Commons.

Voor het Tolhuis zal voor een voor die periode meer gebruikelijk ontwerp zijn gekozen dan dat voor die originele Blauwe Toren het geval was. Het tolhuis doet namelijk denken aan het Markiezenhof in Bergen op Zoom, waar respectievelijk Anthonis en Rombout Keldermans gedurende de periode 1495-1522 aan werkten.[48] De zogeheten ingangsvleugel uit 1510 kan als inspiratiebron hebben gediend. De drie zoldererkers (met trapgevel) hier zouden kunnen corresponderen met de drie erkers aan de achterzijde van het Tolhuis. Grotere zijgevels van het Markiezenhof, kunnen ten voorbeeld hebben gestaan aan het wellicht iets uitspringende middengedeelte met trapgevel aan de oostzijde van het tolhuis. Of de muren van het tolhuis net zo rijkelijk van natuurstenen banden zijn voorzien als de Markiezenhof is maar de vraag. Het tolhuis had weliswaar een representatieve maar ook meer ingetogen functie dan de residentiële gebouwen als de Blauwe Toren en het Markiezenhof. Bij de hierbij geplaatste tekening, een poging om tot een reconstructie te komen, is de vormentaal van het Markiezenhof weliswaar gevolgd (er zijn weinig andere gebouwen in Nederland, maar wel in Vlaanderen,[49] die ter vergelijking kunnen dienen) maar zonder voor natuurstenen banden te kiezen, aangezien het schilderij Gorinchem vanuit het oosten niet meer biedt dan de lichtrode kleur van baksteen.

Tolhuis Gorcum 1568 © Bert Stamkot.

Tollenaar

Hoe het Tolhuis werd gebruikt is ook nauwelijks onderzocht. Het zal deels als residentie voor de tollenaar en diens huishouding hebben gediend en anderzijds zijn ingericht voor administratieve en uitvoeringsgerichte werkzaamheden. Aron de Vries meldt daarover het volgende: op het tolhuis woonde de tollenaar, een ‘goet, notabel man’ met verstand van tolrecht. Hij ontving een wedde en een deel van de opgelegde boetes en werd bijgestaan door een klerk die het register bijhield, naast een controleur voor de schaduwboekhouding, die ‘gesloten ende bezegelt’ werd ingediend bij de Grafelijkheidsrekenkamer.[50] Het zou mooi zijn als de namen der tollenaars met hun competenties nog eens op een rij gezet zouden kunnen worden.[51] Voorlopig komt voor ons pas in februari 1565 Frank van Mojalen als tollenaar in beeld.[52] Aangezien Van Mojalen in 1568 tot schout in Den Haag is benoemd en dus koningsgetrouw was,[53] kan hij niet die tollenaar zijn geweest die al in maart 1567 als een ‘grote geus’ bekend stond en door de Gorcumse drost om die reden in de gaten werd gehouden.[54] Zijn naam is ons vooralsnog onbekend gebleven, maar aangenomen mag worden dat hij, met vele anderen, bijtijds is  uitgeweken om aan de Bloedraad van landvoogd Alva te ontkomen. Kort na Alva’s bezoek in augustus 1568 aan Gorinchem,[55] is in november het Tolhuis afgebrand.[56] Over de oorzaak van die brand zijn geen gegevens bekend.  Wijzen op een relatie met de politieke onrust van die tijd blijft speculeren, al kan het schilderij van Gorinchem vanuit het oosten, met de expliciete opname en vermelding van het tolhuis, mogelijk wel in het licht van de actualiteit van 1568 worden gezien.[57]

Het tweede Tolhuis

Wat er met het eerste tolhuis na de brand gebeurde is onduidelijk. In de regel bleef muurwerk na een brand geschikt om herbouw of restauratie mogelijk te maken. Maar de omstandigheden, de Tachtigjarige Oorlog begon immers in 1568, waren ongunstig. De vroege overgang van Gorinchem naar het door de geuzen uitgeroepen vrije Holland, veranderde in zoverre niet dat de oorlogsdreiging bleef, maar wel dat de vesting zo snel mogelijk moest worden aangepast. De twee poorten op het Eind zouden al in 1574 zijn afgebroken.[58] Maar het tweede tolhuis werd pas in 1579 gebouwd [59] en dat was niet op de plek van de huidige Tolkazerne (zoals in een volgende bijdrage zal zijn te lezen.) en ook niet ter plaatse van het (eerste) tolhuis, zoals Emck aanvankelijk dacht.[60]

Detail van de kaart van zekere gorsen in de Merwede oostwaarts van de stad Gorinchem toebehoorende aan de graaflijkheid van Holland. Door Symon Jansz, laatste kwartaal 16e eeuw. Nationaal Archief toegang 4.VTH Inventarisnummer 889.

Het tweede tolhuis hield slechts vijf jaar stand en brandde laat in de avond van 23 april 1584 af, waarbij twee jongelieden in hun slaap werden overvallen en de dood vonden.[61] Verondersteld wordt dat dit tolhuis, tijdens de ‘tussenfase’ die de overgang van  de middeleeuwse ommuring naar een moderne gebastionneerde vesting kenmerkt, een provisorisch karakter had en wellicht in houtbouw was uitgevoerd.[62] Toch is er een kaart, waarop het tweede tolhuis staat afgebeeld,[63] tegen de stadszijde van de (eerste) Waterpoort en aan de waterkant, waar nu de huizen Eind 7-19 staan. Het lijkt te zijn voorzien van een in blauw aangegeven leiendak. Buiten de poort is nog een bescheiden toegang te zien, ‘een kleyn klinket by de Graafelijkheids Tol’, dat  na sloping van beide poorten aan het Eind als eerste was opgericht.[64] Op de plattegrond van de door Jacob Kemp getekende vestingwerken van de ‘tussenfase’, is een ‘Tolpoort’ aangegeven als een soort coupure,[65] met oostelijk daarvan de van palissaden voorzien uitbouw waar het tweede tolhuis heeft gestaan. Voor de tolpoort ligt ter plaatse van het ‘klinket’ nu een bruggetje. De nieuwe muur keept hier in en hevelt dus als het ware een stukje tolhuisplaats (de straat tussen de voor het eerste tolhuis gebouwde en hier dus afgebroken muur) over aan wat aan het zo gecreëerde vierkante pleintje tussen tolpoort en ‘klinket’ dat in de bronnen[66] ook wel als de ‘beer’ buiten deze (water)poort kan worden beschouwd.[67]

Detail van kaart “Plan der vestingwerken van Gorinchem”, A. Kemp, laatste kwartaal 16e eeuw. National Archief, toegang 4.VTH. Inventarisnummer 3279.

Aan beide genoemde kaarten is indertijd het jaartal 1592 gehangen, maar de eerste kaart toont nog het tweede tolhuis, het klinket en de in 2017 aan de Duiveltjesgracht aangetroffen muur- met torenfundament en is in ieder geval ouder dan de tweede kaart, die al deze elementen niet meer vertoont, maar ook jonger wordt geacht.[68]

In enkele teksten wordt nog wel aan de locatie van het tweede tolhuis gerefereerd, waardoor de ligging nog zekerder wordt. Op 11 augustus 1584, dus een half jaar na de brand, komen de Staten van Holland en de stad Gorinchem overeen om fortificaties aan te leggen vanaf het ‘verbrande Tolhuys met de pallizade aldaar’.[69] Vanaf de haveningang was dat een logisch startpunt om de beschrijving van de uit te voeren werkzaamheden te starten.

© Bert Stamkot

In 1591 wordt dan de voormalige tolhuislocatie aangeduid als ‘tegen de Tholstraet over’, oftewel: tegenover het begin van de Tolsteeg.[70]

Met de aanleg van de vestingwerken langs de Merwede werd ook een halfbastion westelijk van de Waterpoort gecreëerd, dat ruimte ging bieden aan het in 1598 opgeleverde derde tolhuis en daarom al meteen ‘het bolwerk van den tol’ ging heten[71] en nu als Tolbastion bekend staat. In het kader van de beschrijving van de strikte grens of scheiding tussen de stad en de generale verdedigingswerken zal het derde Tolhuis aan de orde komen (en worden vergeleken met de situatie enkele tolhuizen en hun relatie met verdedigingswerken in enkele andere steden) in het volgende artikel over die scheiding langs Tolsteeg en Krabsteeg.


Geraadpleegde literatuur

Bemmel, A.A.B. van, ‘Naar de Markt, De stad in haar omgeving’. In: M.A. van der Eerden, e.a. (red.), Wijk bij Duurstede 700 jaar stad,         Ruimtelijke structuur en bouwgeschiedenis. Hilversum (2000) 41-66.

Bitter, Peter, ‘Alkmaar en de graaf van Holland, Enkele archeologische en archivalische gegevens nader beschouwd’. In: Westerheem,             Special 2014: Graven in Holland. September 2014 (Special 3) 32-57.

Boer, D.E.H. de, en E.H.P. Cordfunke,Graven van Holland, Middeleeuwse vorsten in woord en beeld (880-1580). Zutphen, 2010.

Bos-Rops, J.A.M.Y., Graven op zoek naar geld, De inkomsten van de graven van Holland en Zeeland 1389-1433. Hilversum, 1993.

Bouwmeester, Jeroen, ‘Graven in de stadsontwikkeling’. In: De hoven van de Hollandse graven tot het eind van de 13e eeuw in vergelijkend perspectief. In: Westerheem, Special 2014: Graven in Holland. September 2014 (Special 3) 15-31.

Cox, Joost C.M., ‘Hebbende privilege van stede’, De verlening van stadsrechtprivileges in Holland en Zeeland (13de-15de eeuw).Den Haag,     2011 (Werken der stichting tot uitgaaf der bronnen van het oud-vaderlandse recht 35).

Doornmalen, Alois van, De Herlaars in het Midden-Nederlands rivierengebied (ca.1075- ca.1400). Hilversum, 2019 (Middeleeuwse Studies en Bronnen 170).

Dijk, R.F. van, ‘Het verdwenen koor van de Grote Kerk’. In: Oud-Gorcum Varia 26, nr.67 (2010) 33-36.

Emck, W.F., Kroniek van Gorinchem, Geschiedkundige en andere aanteekeningen in chronologische volgorde, 1230-1927. Gorinchem,         1929.

Emck W.F., Oude namen van huizen en straten in Gorinchem. Gorinchem, juni 1914. [Zie ook: www.archeologiegorinchem.com ]

Es, W.A. van, ‘Friezen, Franken en Vikingen’. In: idem en W.A.M. Hessing, Romeinen, Friezen en Franken in het hart van Nederland: van    Traiectum tot Dorestad’ [Hst.6]. Utrecht/ Amersfoort (1994) 82-119.

Goch, H.A. van, Van Arkel’s oude veste, Geschied- en Oudheidkundige Aanteekeningen betreffende de Stad Gorinchem en hare voornaamste gebouwen en instellingen. Gorinchem/ Schiedam, 1973.

Groningen, Catharina L. van, De Alblasserwaard. Zeist/ Zwolle. 1992(2) (De Nederlandse monumenten van geschiedenis en kunst).

Hartog, Elizabeth den, De oudste kerken van Holland, Van kerstening tot 1300. Utrecht, 2002.

Heemskerk, J., Geschiedkundige notities betreffende Gorinchem en het Land van Arkel Beneden de Zouwe. Delft, 1966.

Hermans, Taco, en Edwin Orsel, ‘De verbouwing van de Blauwe Toren te Gorinchem in 1522-1530. In: Rob Gruben en Taco Hermans          (eindred.),‘Zij waren van groote en zware steenen’, Recent onderzoek op het gebied van kastelen en buitenplaatsen in Nederland.            [Wijk bij Duurstede, 2018] (Stichting Kastelenstudies Nederland Publicatiereeks 1)125-153.

Hoevenberg, Jacqueline, ‘Graven in Dordrecht’. In: De Ridder (hoofdred.),Graven in Holland, De hoven van de Hollandse graven tot het       eind van de 13e eeuw in vergelijkend perspectief. AWN, september 2014 (Special 3) 176-194.

Hoppenbrouwers, P.C.M., ‘Van waterland tot stedenland. De Hollandse economie (ca.975-ca.1570). In: T. de Nijs en E. Beukers (red.),         Geschiedenis van Holland, deel 1, tot 1572. Hilversum (2002) 103-148.

Hurx, Merlijn, ‘De Blauwe Toren in Gorinchem: een vorstelijk kasteel aan de Merwede’. In: Rob Gruben en Taco Hermans (eindred.),‘Zij      waren van groote en zware steenen’, Recent onderzoek op het gebied van kastelen en buitenplaatsen in Nederland. [Wijk bij         Duurstede, 2018] (Stichting Kastelenstudies Nederland Publicatiereeks 1) 155-172.

Janssen, H.L., e.a. (red.), Duizend jaar kastelen in Nederland, Functie en vorm door de eeuwen heen. Utrecht, 1996.

Janssen, H.P.H., ‘Holland, Zeeland en het Sticht 1100-1433’. In: [Nieuwe] Algemene Geschiedenis der Nederlanden 2 (1982) 282-323.

Janssen, H.P.H., en L. Milis, ‘De Middeleeuwen’. In: J.A. Bornewasser, e.a. (red.), Winkler Prins Geschiedenis der Nederlanden deel1.           Amsterdam/ Brussel (1977) 131-262.

Jong, Henk ‘t, ‘Tollen en Dordrecht (4)’, via: https://apudthuredrech.nl (3 juli 2016) [geraadpleegd t/m 25 juli 2021].

Kolman, Chris, e.a., Noord-Brabant. Zeist/ Zwolle, 1997 (Monumenten in Nederland 2).

Korteweg, K.N., Rechtsbronnen van Woudrichem en het Land van Altena. Utrecht, 1948 (Oud-Vaderlandsche Rechtsbronnen 3e reeks, nr.14).

Kuys, Jan, e.a. (inleiding en vertaling), De Tielse kroniek, Een geschiedenis van de Lage Landen van de Volksverhuizingen tot het midden        van de vijftiende eeuw, met een vervolg over de jaren 1552-1566. Amsterdam, 1983.

Labouchere, G.C., ‘Aanteekeningen over monumenten te Gorinchem, Schelluinen, Woudrichem, Loevestein en Zalt Bommel’. In: Oudheidkundig Jaarboek, derde serie, 11 (1931) 41-126.

Langhout, M.J., De Reformatie te Gorcum, 1550-1610. Alblasserdam, 2017 [dissertatie].

Lof. R.V.C. van der, De Blauwe Toren te Gorinchem. Een bijdrage tot de kennis van een laat-Middeleeuws kasteel. Universiteit Utrecht, 1983 [scriptie].

Mostert, Marco, In de marge van de beschaving, De geschiedenis van Nederland, 0-1100. Amsterdam, 2009.

Niermeyer, J.F., Bronnen voor de economische geschiedenis van het Beneden-Maasgebied. Deel I, 1104-1399. ’s-Gravenhage, 1968 (Rijks    Geschiedkundige Publicatiën, Grote serie 127).

Ridder, Tim de (hoofdred.), Graven in Holland, De hoven van de Hollandse graven tot het eind van de 13e eeuw in vergelijkend perspectief.   AWN, september 2014 (Special 3).

Ridder, Tim de, ‘De hof van Vlaardingen’. In: idem (hoofdred.), Graven in Holland 3 (2014) 160-171.

Riemer, Jacob de, Beschryving van ’s Graven-hage, Tweede deel.’s Graven-hage, 1729.

Sarfatij, Herbert, Archeologie van een Deltastad, Opgravingen in de binnenstad van Dordrecht. Utrecht, 2007.

Smit, J., Den Haag in den Geuzentijd.’s-Gravenhage, 1922.

Speet, B., ‘Een kleine nederzetting in het veen’. In: M. Carasso-Kok (eindred.), Geschiedenis van Amsterdam (deel 1) tot 1578, Een stad uit    het niets. Amsterdam (2004) 21-61.  

Stamkot, Bert, ‘Stadsbeeld in de late middeleeuwen’. In: Cerutti, e.a. (red.), Tien eeuwen Gorinchem, Geschiedenis van een Hollandse stad.     Utrecht (2018) 113-136.

Stamkot, Bert, ‘De ontstaansgeschiedenis van Gorinchem, aflevering III, De “verborgen” stad’, Oud-Gorcum Varia 23, nr.63 (2006) 8-39.

Stamkot, Bert,Gorinchem en omgeving rond het wonderjaar 1566/1567. Amsterdam,1985 [scriptie, berust in RAG].

Stamkot, Bert, Geschiedenis van de stad Gorinchem. Gorinchem, 1982 (Merewade 5). 

Stenvert, Ronald, e.a. (red.), Zuid-Holland. Zeist/ Zwolle, 2004 (Monumenten in Nederland 10).

Tielhof, Milja van, ‘Betrokken bij de waterstaat, Boeren, burgers en overheden ten zuiden vanhet IJ tot 1800’. In: Beukers, Eelco (red.),         Hollanders en het water, Twintig eeuwen strijd en profijt, deel I. Hilversum (2007) 61-98.

Tussenbroek, G. van, Onder de daken van Zaltbommel, Bouwen en wonen in de historische binnenstad (1350-1650). Utrecht, 2003. 

Veen, J.S. van, Margaretha van Parma en Charles de Brimeu, Graaf van Megen, stadhouder va Gelderland, Briefwisseling 1560-1567. Arnhem, 1914.

Veen., Martin, ‘De Blauwe Toren’. In: Oud-Gorcum Varia 15-3 (nr.42) (1998) 280-284. 

Vries, Aron de, ‘Economie’. In: Cerutti, e.a. (red.), Tien eeuwen Gorinchem, Geschiedenis van een Hollandse stad. Utrecht (2018) 136-148.

Vries, Aron de, Op den slot tot Gorinchem, De eerste bouwfase van het kasteel (1412-1460). Historische Vereniging Oud-Gorcum (Jaarboek   2017, Historische Reeks Oud-Gorcum 33).

Zomeren, Cornelis van, Beschrijvinge der stadt Gorinchem en landen van Arkel. Gorinchem, 1755.


[1] Mostert (2009) 217 en 246.

[2] Van Bemmel (2000) 46 (m.b.t. Dorestad); Bouwmeester 3 (2014) 17-19; Bitter 3 (2014) 36 (Alkmaar); Kuys (1983) 39, nr.79 (Tiel); Van Tussenbroek (2003) 39 (Zaltbommel).

[3] Cox (2011) 99; De Boer en Cordfunke (2010) 29 en 31.

[4] De Ridder 3 (2014) 162.

[5] Den Hartog (2002) 130-134. 

[6]De Boer en Cordfunke (2010) 58-59; Janssen 2 (1982) 289.

[7] Cox (2011) 163.

[8] ’t Jong (2016). 

[9] Van Tielhof 1 (2007) 66-67.

[10] Cox (2011) 254

[11]Sarfatij (2007) 263.

[12] Hoevenberg 3 (2014) 183-185.

[13] Janssen en Milis 2 (1977) 174.

[14] www.goedespoorwaspik.nl (26 oktober 2020).

[15] Van Doornmalen (2019) 108 en 113 (m.b.t. Zuilichem) en 310 (Maasdriel).

[16] Van Es (1994) 102.

[17] De Ridder 3 (2014) 168.

[18]Kuys (1983) 39, nr.79.

[19] Hoevenberg 3 (2014) 182-185 en afb.5a-b, 6b en 7.

[20] ’t Jong (2016).

[21] Kolman 2 (1997) 229.

[22] Cox (2011) 72 en 108.

[23] Cox (2011) 164.

[24]’t Jong 4 (3 juli 2016) 3.

[25] Niermeyer I (1968) 15, nr.35.

[26] Stenvert 10 (2004) 157.

[27] Cox (2011) 154.

[28] ’t Jong 4 (3 juli 2016) 3.

[29] Cox (2011) 154.

[30]Kolman 2 (1997) 338.

[31] Bos-Rops (1993) 164.

[32] De Vries (2017) 25; Korteweg (1948) 239, nr.277.

[33] Van Groningen (1992(2)) 130; Van Goch (1973) 157.

[34] De Vries (2017) 24.

[35] Emck (1929) 20.

[36] De Vries (2017) 24-25.

[37] De Vries (2017) 25.

[38] Dit dus in tegenstelling tot De Vries, die overigens op p.44 zelf gewag maakt van een houttuin, gelegen voor het slot naast het tolhuis, dus het vroegere erf van Schoncken (en derhalve zonder de Tolsteeg), deze is op p.30,  afb.14 te zien als een ommuurde strook tussen Tolsteeg en slotgracht.

[39] De Vries (2017) 25.

[40] De Vries (2017) 25.

[41] Van der Lof (1983) 44: in een op 1482/1501 gedateerde oorkonde wordteen Tolhuisplaats gemeld.

[42] De Vries (2017) 31.

[43] De Vries (2017) 25

[44] Hurx [2018] 155; De Vries (2017) 16; Veen 15-3 (1998) 281-282. 

[45] Hurx [2018] 155-156.

[46] Hurx [2018] 168.

[47] Stamkot in Cerutti, e.a. (2018) 149; Van Dijk (2010) 33 en 35.

[48] Kolman 2 (1997) 80 (afb) en 81.

[49] Zoals het Hof van Savoye in Mechelen, de residentie van Margaretha van Oostenrijk.

[50] De Vries (2018) 139.

[51] NA, archief 3.01.27.01, Grafelijkheidsrekenkamer […], Commissieboeken, inv.nrs.490-495 (waarvan 493-494 niet raadpleegbaar): bevatten enkele namen, waaronder ‘Vranck van Moyalen’, als ‘ontvanger’. 

[52] Emck (1929) 42.

[53] Stamkot (1985) 88; Smit (1922) 178; De Riemer 2 (1729) 61.

[54] Stamkot (1985) 88; Van Veen (1914) 419, nr.394, 5 maart).

[55] Langhout (2017) 85.

[56] Emck (1929) 45.

[57] Zie mijn bijdrage: ‘(Vesting)hoofdbrekens, Over een kerk of schandvlek buiten de Hoofdpoort. Geplaatst 31 december 2020 op: https://vestinggorinchem.nl/artikelen/vestinghoofdbrekens/ Rubriek ’Vestingstad 01’.

[58] Emck (1929) 48.

[59] Emck (1929) 51; Van Zomeren (1755) 367.

[60] Emck (1914) 52, bij nr.857.

[61] Emck (1929) 54; Van Zomeren (1755) 368.

[62] Heemskerk (1966) 51.

[63] De Vries (2017) 14, afb.5: NA, Kaartcollectie Hingman, inv.nr.889]

[64] Labouchere (1931) 52, onder verwijzing naar Van Zomeren (1755). Een klinket is een deurtje in een grotere poortdeur (zoals in de poorten van Loevestein).

[65] Stamkot (1982) 57, afb.; Labouchere (1931) 49, onder verwijzing naar: NA, collectie Hollandsche kaarten, nr.3279

[66]Emck (1929) 51.

[67] Emck (1929) 51, interpreteert Van Zomeren (1755) 367 verkeerd: ‘In den jaare 1579 wierd den beer buyten de Hoog-[Arkel!]poort en het Tolhuys gemaakt. Het gaat om één (nieuwe) beer en één (nieuw) tolhuis.

[68] Labouchere (1931) 49.

[69] Van Zomeren (1755) 368-370.

[70] Emck (1914) 52.

[71] Emck (1929) 65.

Schrijver: Bert Stamkot ©.

Redactie: Joop Kuijntjes.