KRABTOL

‘KRABTOL’, aan de zuidkant van de stad, langs Tol- en Krabsteeg.                                                                                                (© Bert Stamkot, 2022)

De geschiedenis van de zuidelijke begrenzing van de binnenstad is lange tijd onderwerp van discussie geweest en zal dat op detailniveau ook nog wel even blijven. Hier vonden in de loop der tijd nogal wat veranderingen plaats, die het zicht op voorgaande situaties bemoeilijkten. Waar lag de zuidelijke afgrenzing van de stad tot 1412? Welke invloed had de toen gestarte bouw van het kasteel van de graven van Holland en ging die bouw ten koste van de stadsmuur?

Had vervolgens de stichting van de Blauwe Toren (omstreeks 1460) weer effecten op de voorburcht richting stad? En wat gebeurde er tijdens de uitleg rond 1600, waarvoor het kasteelcomplex moest wijken en kon sindsdien de stadsbebouwing daar iets van profiteren? Vanuit de Tol- en Krabsteeg zullen wij de blik dus vooral zuidwaarts richten op enkele vestingelementen en/of vondsten.

Duikers

De slotgracht, zoals beschreven in de vorige bijdrage onder de titel Rondtollen lijkt met de uitleg van de vesting (rond 1600) te zijn verdwenen. Toch is er in ieder geval één element gebleven dat in oorsprong verwijst naar de middeleeuwse stad. Wij hebben het dan over de duiker die net buiten de Waterpoort nog altijd rivierwater kan inlaten en bijvoorbeeld vandaag de dag de mogelijkheid biedt om de Schuttersgracht door te spoelen.

De duiker onder het eerste Tolhuis (1568)

Zicht op de Blauwe Toren en het oude Tolhuis vanuit het oosten door een onbekende schilder, 1568. Gorcums Museum.

Reconstructietekening van het oude Tolhuis in 1568 (© Bert Stamkot).

Aan het schilderij Gorinchem vanuit het oosten van 1568 is al eerder in deze rubriek aandacht besteed (zie: Vesting hoofdbrekens en Rondtollen). Vooral het oudst bekende Tolhuis wordt daarop redelijk goed in beeld gebracht. Wij hadden van dat gebouw ook een reconstructie gemaakt en getoond. In de kademuur voor het rechter (noordelijke) deel van het Tolhuis lijkt een donkere watertoegang of duiker zichtbaar te zijn die op de reconstructie verscherpt is weergegeven.

Achter, tegen de westzijde van, het Tolhuis eindigde de slotgracht van het Blauwe Toren-kasteelcomplex en niets lijkt logischer dan dat het wenselijk geacht werd om het peil van de slotgracht te kunnen reguleren, zonder dat de rivier hier – vanwege de Tolhuisbebouwing – een zwakke plek zou vinden om druk op de achtergelegen gracht uit te oefenen. Een beweegbare stevige schuif of schuiven zou voldoende zijn om water tegen te houden dan wel in te laten. Wij zullen straks signaleren dat verderop, ter hoogte van de Krabsteeg, het reguleren van het waterpeil van betekenis kon zijn.

Overigens was er naast deze slotgrachtinlaat in de oost-west stroomrichting van de rivier nog een inlaat, zijl of ‘vingerlijn’ die door Aron de Vries (Op den slot, pp.45-46) is beschreven en mijns inziens gemakkelijker bij vloed water in kon laten voor de zuid-noord lopende gracht tussen het voorterrein van het kasteelcomplex en de voorburcht en waarvan het bestaan archeologisch rechts naast een halfronde muurtoren is aangetoond.

De zuid-zijl is goed te zien op deze kaart van omstreeks 1550, rechts naast de halfronde muurtoren. Regionaal Archief Gorinchem, THA, PK 24.

De duiker in de zeventiende eeuw

Op vrijwel dezelfde locatie als die van het oude tolhuis is na de aanleg van de nieuwe vestingwerken net buiten de Waterpoort een nieuwe duiker gemaakt. Deze is alleen afgebeeld op een gouache van de Gorcumse kunstenaar Jacob van der Ulft (1621-1689), dat het Een vertrekkend reisgezelschap verbeeld. Ondanks de levendige drukte gaat onze aandacht hier uit naar de duiker achter de roeiboot geheel rechts. Het toont een hijswerk voor de inlaatschuif met een  trapje ernaast, dat (ook) voor controle en onderhoud van het mechaniek zal hebben gediend. Het kunstwerk van Van der Ulft is niet gedateerd, maar moet in de decennia voor of na 1660  zijn gemaakt.

De waterpoort te Gorinchem met een vertrekkend reisgezelschap. Amsterdam Museum, legaat C.J. Fodor. Objectnummer TA 10337.

De duiker zal zeker onder de kade en walmuur hebben doorgelopen en ongetwijfeld was er wel eens onderhoud aan de duiker nodig en zijn de kosten daarvan geadministreerd. De vraag is dan in welke archieven iets kan worden gevonden. Viel het beheer van de duiker onder de stad, het hoogheemraadschap van de Alblasserwaard of de Generaliteit (het landsbestuur) als onderdeel van de vestingwerken? En… hoever liep de duiker toen door?

Op een ietwat gefantaseerde tekening uit 1654, ook weer van Van der Ulft, is het (huidige) Tolhuis uit 1598 te zien met mogelijk wat extra bedachte aanbouwen. Toch is een realistisch blik op de voorgelegen tuin mogelijk vanaf een hoger standpunt (de vestingwal), gelet ook op het trapje naar beneden. Links geeft ook een hoge muur of wal de tuinruimte intimiteit. Het grachtje rechts zou een ‘nazaat’ van de middeleeuwse slotgracht kunnen zijn. Helemaal rechts is een afwaartse leuning, die de plaats van de uitmonding van de duiker kan markeren. Achter de hoge noordmuur rechts moet zich dan de Tolsteeg bevinden.

An imaginary view of ‘Het Tolhuis’ on the River Merwede, near Gorcum, by Jacob van der Ulft (Draughtsman). Photograph copyright © The Fitzwilliam Museum, Cambridge. Provided for non-commercial use under a Creative Commons License (BY-NC-ND).

Het volledige beeld met gracht laat zich niet checken op de plattegrond van Nicolaas Jansz Wytmans anno 1600, noch alle kaarten van Gorcums binnenstad tot en met de achttiende eeuw, die van die eerste kaart zijn afgeleid en daarom dus ‘allemaal op elkaar’ lijken, zoals Dick van Zanten als enige terecht constateerde in het boek Gorcum oude prenten nieuwe verhalen (p.35).  

De duiker van ongeveer 1800 tot heden

Op de eerste kadastrale minuutkaart van de binnenstad uit 1821 is nog een apart erfje aangegeven, perceel 726. Dit staat geregistreerd als ‘stadsgracht’, waarvan de vorm en oppervlakte lijken te corresponderen met het oostelijke of voorste deel van het door Van der Ulft afgebeelde grachtje met duiker tot aan de wal. Met gebroken lijntjes is de aansluitende westelijke duiker aangegeven.

Detail van de oudste kadasterkaart met het gebied vanaf de Waterpoort tot en met de Tolkazerne, waaronder het grachtperceel. Nationaal Archief, 4.KADOR-R_345_C01).

Op de Kaart aanwijzende de Rioolen en Watergangen (vanaf 1856) is te zien dat de middeleeuwse overkluisde watergang,  tussen Molenstraat en het Eind, de Tolsteeg kruist en daarna iets afbuigt tot aan het voormalige grachtje.

Fragment van kaart aanwijzende riolen en watergangen, gemaakt door gemeente architect De Loeven in 1855, met aanvullingen na 1855. Regionaal Archief Gorinchem.

Mogelijk is het oostelijke grachtdeel gedempt voor de bouw in 1838 van de affuitloodsen. Dit dubbele pand aan de Tolsteeg draagt huisnummer 6 en heeft nog een tijd lang een militaire functie gehad, waarna het een kantoor- en bedrijfspand werd en recentelijk is verbouwd tot een woning met atelier. Omdat er geen intensieve bouwactiviteiten nodig waren en bodemverstoring niet aan de orde zou zijn, heeft er door bureau Transect slechts beperkt terreinonderzoek plaatsgevonden. Dit maakt op zich terecht gewag van een vermoedelijke en dan volgestorte grachtloop en verklaart de lage ligging van het terrein ten opzichte van de (opgehoogde) tuin binnen het Tolbastion. De duiker die onder het pand aanwezig is wordt door Transect niet genoemd, noch gekarteerd. Omdat de verbouwing zonder grondverzet van dieper dan vijftig centimeter kon plaatsvinden, was vermelding van de duiker niet relevant, omdat deze dieper ligt.

Bestaande situatie plangebied. Bron: Van Es architecten.

Affuitloodsen 1982 (herkomst onbekend).

Binnen terrein Tolbastion, met de Affuitloodsen (foto Hugo Ouwerkerk).

Binnen terrein Tolbastion, met de Affuitloodsen vanaf het toegangshek (foto Hugo Ouwerkerk).

Wat nog wel manifest aanwezig is, maar zelden bekeken kan worden, is de ‘waterpoort’ tegen de wal waar het binnenkomende water via de duiker onder de kade en walmuur gereguleerd kan worden ingelaten. Bij de dijkverzwaring van 2000-2002 trokken vooral de werkzaamheden aan de Waterpoortcoupure de aandacht, toen  daaronder een ‘hefschuif’ werd aangebracht. Maar ook achter de muur was men bezig, al getuigt daarvan slechts een foto, zonder enige uitleg, in het speciaal uitgegeven boek Veilige Vesting (p.114). Te zien is een halfrond gemetselde brug of ‘pijp’ met links (tegen de achterzijde van Tolsteeg 4) een trap met kade, beide voorzien van ijzeren leuningen. Tussen de beide kaden en de keermuur is ruimte voor een bassin met de duikerinlaat. Het gehele oppervlak van achttien vierkante meter staat kadastraal geregistreerd onder nummer D4529 en ligt nu ietwat scheef ten opzichte van de wal, waar de walmuurflank voor de Waterpoort oorspronkelijk inkeepte en aan de buitenkant ruimte liet voor een bredere stoep.

Foto Marcel Köppen, 2002. Rechts van de affuitloodsen en voor het witte huisje, bevindt zich de gemetselde duikerinlaat.

Foto Hugo Ouwerkerk, 2014.

Tolsteeg Overig

Naast de Waterpoortcoupure bevindt zich om de hoek in de Tolsteeg een deurpartij (voormalig huisnummer 2?) die tot de sloop van de Waterpoort in 1893 toegang gaf tot de poortwoning via een achtergelegen trap.

Net achter de verkeersborden bevindt zich de poort (voorheen nr.2?) met achtergelegen opgang naar de verdwenen Waterpoort met bovenwoning (Foto Hugo Ouwerkerk).

Op de Kaart Vesting Gorinchem van 1897 was aan het pand Tolsteeg 4, een militaire functie gekoppeld als woonhuis voor de ‘conducteur’ (een onderofficier, waarschijnlijk belast met toezicht op de fortificaties). Het huis kan uit twee samengevoegde delen zijn ontstaan, waarvan de ouderdom achter de gestucte gevel moeilijk lijkt vast te stellen.

Mogelijk geeft deze tekening van Jelgerhuis links iets van de vroegere bebouwing (van nr.4) weer (Regionaal Archief Gorinchem, THA3-106).

In 1827 was hier al bebouwing, terwijl Emck ¹ melding maakt van twee panden aan de zuidzijde van de Tolsteeg, gekoppeld aan de jaartallen 1734 en 1798, waarvan één woning (nr.861) voor de tolwachter was bestemd. Dit kan dus de bebouwing van nummer 4 betreffen.

Voorbij de affuitloodsen, op de hoek bij de toegang tot de Tolkazerne, stond nog een karakteristieke paardenstal, ongetwijfeld bedoeld voor de paarden die werden ingespannen voor de verrolbare affuiten. Het gebouw maakte,  bij de restauratie van de Tolkazerne, geruisloos plaats voor parkeerruimte.

1939 Hoek Molenstraat-Tolsteeg. Een chaotische situatie door handmatig transport van zware kanonnen “12 lang staal” in de Molenstraat. Het gebouw rechts is de paardenstal in kwestie. Fotocollectie Regionaal Archief Gorinchem, F19061.1.

Er was en is nog altijd bebouwing bezuiden de Tolsteeg op wat in 1421 het erf van Heyn Schoncken zou zijn geweest (zie Rondtollen), dus tussen de steeg en wat de (tot een duiker ‘verworden’) slotgracht was. De Generaliteit lijkt flinke, zo niet volledige, greep op deze strook te hebben gekregen. De hiervoor genoemde vestingkaart geeft aan dat in 1897 alles bezuiden de Tolsteeg, tussen de (verdwenen) limietpalen 99 en 100, militair gebied was (zie het artikel van Joop Kuijntjes over Limietpalen elders op deze website).

De duikerpoort bij de Tolkazerne  

Het monumentale pand dat in 1598 aan het eind van de Molenstraat verrees was bedoeld als Tolhuis, in navolging van de twee eerdere tolhuizen. Het werd in 1862 ingericht als artilleriekazerne en bleef tot 1933 in militair gebruik, maar de benaming Tolkazerne bleef langer vertrouwd. Wij gebruiken deze benaming hier om verwarring met de oudere tolhuizen (zie Rondtollen) te voorkomen. Onze aandacht voor dit gebouw gaat in eerste instantie uit naar de relatie met de, inmiddels ‘onze’, duiker.

Vanaf de inlaat buiten de Waterpoort loopt de tachtig meter lange duiker uiteindelijk ook onder de Tolkazerne door. Het metselwerk biedt daar een ongeveer één meter brede doorlaat en dateert volgens Catharina van Groningen ² uit dezelfde bouwtijd als de twee kelders onder de noordvleugel.

Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, Amersfoort. Documentnummer BT-017796.

Haar bron spreekt van een ‘voormalige inlaatsluis’ en op de plattegrond wordt van ‘riool’ gesproken. Maar het is toch nog steeds een functionerende inlaat? De rioolfunctie kreeg het pas na de aansluiting van die middeleeuwse overkluisde watergang. Dat rioolstelsel is inmiddels afdoend vervangen. De oude regenpijp op de noordwesthoek van de Tolkazerne waterde rechtstreeks in de duiker af. Daarnaast stond een houten kast met luik waar een schroefmechaniek boven uitstak. Dit mechaniek bleef ook na de restauratie van het gebouw de mogelijkheid bieden om ook hier de duiker zo nodig af te sluiten.

Links de paardenstal. Bij pijl: Tandheugel voor bediening van de schuif in de duiker, toen nog in houten omkasting. Foto FaceBook Oud Gorinchem, herkomst onbekend.

Tandheugel voor bediening van de schuif in de duiker, anno 2022. Foto Hugo Ouwerkerk.

Het voetpad aan de westzijde richting wal loopt over een gemetselde boogbrug of ‘pijp’ die in ieder geval voor de restauratie een sluitsteen had met het jaartal 1598. Deze verbinding is dus gelijk met de bouw van de Tolkazerne gemaakt. Met deze waterpoort eindigt de duiker en vloeit het water in de open bermsloot van de Pelwal.

Aan stadszijde eerst een gemetselde overkluizing onder het omhoog lopende pad naar de vestingwal (foto Hugo Ouwerkerk).

En daarachter de eigenlijke duiker (foto Hugo Ouwerkerk).

Tolkazerne van hoger ouderdom?

Er is vele malen gedacht en geschreven dat de Tolkazerne voorgangers op dezelfde locatie heeft gehad. In ons vorige artikel Rondtollen is afdoend aangetoond dat de twee oudere tolhuizen op een andere plek hebben gestaan. Er is ook wel eens bedacht dat de Tolkazerne zou zijn gebouwd ter plaatse van de Wolpherensepoort. ³ Deze oude stadspoort stond aan het eind van de Molenstraat en zou in 1412 zijn gesloopt vanwege de bouw van het grafelijke kasteel aan de Merwede. 4 geeft aan dat de stadspoort toen is vervangen door een kasteelpoort en dat deze ook in latere documenten Wolpherensepoort werd genoemd. Wij komen daar straks op terug.

De bouwgeschiedenis van de Tolkazerne lijkt ingewikkeld, waar het pand uit meerdere elementen is samengesteld. Vanaf de Molenstraat bezien zijn dat: eerst de langwerpige noordvleugel; dan een naar het westen uitstekende zuidvleugel; daarachter de traptoren en vervolgens, tegen de toren en zuidvleugel, de jongere oostvleugel.

De vraag werpt zich op of de zuid- en noordvleugel en de traptoren van dat ene bouwjaar 1598 dateren. Omdat enerzijds het tweede tolhuis in 1584 was afgebrand en anderzijds het tolbastion (op basis van twee gedateerde plattegronden) in 1592 al zeker aanwezig was, konden noodzaak en aanwezige bescherming een wat eerdere  planning en bouw (zeker vanaf circa 1590) hebben gestimuleerd.

De zuidvleugel maakt de meeste kans op een wat hogere ouderdom, als de slotgracht (zoals aangegeven op het reconstructiekaartje bij Rondtollen) toch – in ieder geval daar – iets smaller was en dat er van het voormalige kasteelterrein gebruik kon worden gemaakt.

Als rechtmatig eigenaar mocht de Generaliteit hier snel tot bouw besluiten. Waar de voorgelegen slotgracht pas kortelings zal zijn gedempt (en vervangen werd door de duiker), daar moest de opgebrachte grond zich dus nog zetten. Het is daarbij opvallend dat de aangebouwde en meer representatief ogende noordvleugel net niet geheel haaks staat op de zuidvleugel, maar zich wel vrij exact oriënteert in de richting van het aansluitende stuk Molenstraat. Er is hier voorts gemeend om deze vleugel niet ‘koud’ op de gedempte gracht te bouwen, maar te onder-kelderen.

Een puzzelstuk vormt ‘de aanzet van een kleine rechts omdraaiende, spiltrap in de traptoren, die niet bij het huidige gebouw hoort’, zoals Van Groningen schrijft. 5

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Documentnummer 282.803.

Aangezien de bestaande traptoren deels over dit restant heen is gebouwd zijn er twee mogelijkheden: 1. de overbouwde traptoren is ouder en zou dan een andere herkomst moeten hebben; 2. De overbouwde traptoren is vervallen du moment in de zeventiende eeuw de oostvleugel werd aangebouwd, maar dan moet de huidige traptoren aanmerkelijk jonger zijn dan het aangegeven bouwjaar 1598. De eerstgenoemde mogelijkheid bood voeding aan de theorie van Keizer en Mazzola, die stelt dat hier een ouder element, zoals van de Wolpherensepoort, is verwerkt. Dit zou dan het oostelijke poortdeel betreffen, bij een rechte voortzetting van de Molenstraat zuidwaarts. Er zijn bij de restauratie van de Tolkazerne in 1985-1987 overigens géén sporen van een oude kasteelpoort bij de toren gevonden na een gedane opgraving. 6

Er is al dikwijls geconstateerd dat de Tolkazerne zo’n groot en riant bouwwerk is. Van Groningen noemt dat ‘onverklaarbaar’ 6 maar noemt toch meteen een aantal functies als: woning voor de (tol- en belasting)ontvanger, de controleur, een ‘beziender’ en twee tolknechten. Daar zullen andere functies voor of namens de Generaliteit aan kunnen toegevoegd, zoals hoofdzetel van de drost en/of militaire leiding over de vesting bij oorlogsdreiging.

Na de restauratie werd de Tolkazerne ingericht als kantoor van het Hoogheemraadschap Alblasserwaard c.a. Volgens goed Nederlandse gewoonte volgde er een fusie in 2005 en werd het pand verlaten  voor het grote waterschap Rivierenland te Tiel. Daar groeide overigens ook het gelijknamige archief als kool (met Culemborg en Zaltbommel) en is de digitale service meegegroeid in en via hun huis van inspiratie. Nu kan er in de Tolkazerne een riant bed en breakfast worden geboekt, waarover dan wel weer ‘tol’ word geheven.

Krabsteeg

Fundamenten Krabsteeg 35-77

Laten wij eerst constateren dat een foutje uit het verleden is hersteld. De foute mededeling betrof het bericht dat er bij de bouw van woningen aan de Krabsteeg in 1976/1977 ‘op enorme muurresten’ is gestoten. 7 Het betrof een vergissing, niet de bouw aan de noordzijde van de Krabsteeg in 1976/1977 werd gehinderd, maar het heiwerk voor een woningcomplex aan de zuidzijde in 1983. Dit is inmiddels door Martin Veen ruimschoots rechtgezet. 8  

Door archeoloog Daan Hallewas is eind 1983 een quickscan gemaakt van de situatie op het bouwterrein en heeft daarvan verslag gedaan. 9 Het komt mij voor dat Hallewas zijn aantekeningen snel op papier heeft gezet en dat hij later bij de formulering van het bericht wellicht onbedoeld misverstanden heeft gecreëerd. Er zijn door hem ook vier foto’s gemaakt 10, die een indruk geven van de vrijgemaakte grond en de oriëntering op de omgeving: schuren achter de Krabsteeg, de wal met opgang en de daken van de drie cafeetjes Buiten de Waterpoort. De vierde foto (zie hieronder) geeft dankzij een in beeld gebrachte arbeider een indicatie van de omvang van het gevonden tweede muurvlak.

De ontdekte circa 2,5 meter dikke muurresten aan de Krabsteeg in 1983, foto Daan Hallewas.

Wat schreef Hallewas over de gevonden muren? 1. Een zeer zware circa 9,3 meter dikke ongeveer oost-west verlopende muur, tot een hoogte van circa 3,5 meter, gemetseld met stenen van circa 25 x 5 x 12 centimeter en rustend op een fundering van hout; 2. Evenwijdig aan en noordelijk van [1] op 2,5 meter afstand een muur van circa 2,5 meter dikte, die nog in het profiel van de bouwput kon worden waargenomen.

Van het eerste zware stuk muur is een ‘Zuid-Noord’-dwarsdoorsnede getekend, die aan de voet inderdaad 9,3 meter breed is, maar dan niet correspondeert met de breedte van het grote vlak op de bestektekening begane grond en 1e verdieping die slechts een breedte van 7,5 meter heeft.

De hoogte van de muur (tot 3,5 meter) en de overgang van steen naar hout is louter aangetoond dankzij de boringen die hebben plaatsgevonden om toch een fundering voor het wooncomplex te creëren. Een relatie met de Blauwe Toren en dan met name het noordelijk daarvan gelegen rondeel te veronderstellen lijkt hier op zijn plaats. Martin Veen 11 dacht aan een opstelplaats voor geschut ook omdat het blauwe rondeel nog even na de sloop van de Blauwe Toren een functie heeft vervuld in de tijdelijke omwalling (tussenfase) totdat de volledig gebastioneerde vestingwerken werden gerealiseerd.

Detail van het vestingplan van Jacob Kemp. Nationaal Archief. Nummer toegang 4.VTH Inventarisnummer 3279.

De tweede en iets noordelijker muur is beter gedocumenteerd dankzij ook de vier foto’s. Deze is opgebouwd uit hetzelfde formaat baksteen. De vorm en het verloop was goed waar te nemen en kwam net boven het grondwater uit. Het lijkt verantwoord om hierin wel degelijk de fundering van de schildmuur (eventueel met aanbouw?) van het kasteelcomplex te zien.

De aanduiding ‘bestaande fundering stadsmuur’ op de plattegrond 1:100 van 31 mei 1983 is vanwege die gegeven breedte van 2,5 meter onterecht. De Gorcumse stadsmuur was gemiddeld 0,6 tot 0,9 meter dik en werd aan de binnenzijde versterkt door haaks op de schildmuur staande weergang-steunberen. Wie echter inzoomt op de vierde foto, die ziet links in het talud een ‘afgekapt’ stenenprofiel van maximaal 0,9 meter, wat wel op de stadsmuur betrekking kan hebben!

Detail van de vierde foto van de ontdekte enorme dikke muurresten aan de Krabsteeg 1983, met links het ‘afgekapt’ stenenprofiel. Foto Daan Hallewas.

De richting lijkt licht af te wijken van de 2,5 meter dikke (kasteel)muur.
Kunnen wij uit deze toch wat schimmige gegevens conclusies trekken? Het bakstenenformaat is een gangbaar middeleeuws formaat en op meerdere plaatsen te Gorinchem aangetroffen. Het brede muurvlak kan als artillerieplaats korrelleren aan het rondeel benoorden de Blauwe Toren, terwijl de muur van 2,5 meter als schildmuur van het kasteelcomplex valt te duiden. Alleen het muurprofiel van maximaal 0,9 meter spoort met de gangbare dikte van de Gorcumse stadsmuren.

Gevolgen vanwege de ‘stadsmuurvondst’?

Ja, wij blijven voorzichtig, het is toch een zoektocht, waarbij we snippers informatie krijgen, die wellicht ook verschillend geïnterpreteerd kunnen worden. Toch hebben we belang bij het op- en ongetwijfeld ook het bijstellen van een theorie. Interpreteren wij de vondst van het circa 0,9 meter brede bakstenenprofiel als stadsmuur, dan mogen wij dat doen waar er bezuiden de Krabsteeg ooit een stadsmuur geweest moet zijn, voordat het kasteelcomplex van 1412 daar verrees.

Maar als wij dat hier op basis van deze vondst doen, dan is de theorie van Aron de Vries niet houdbaar, waar de stadsmuur tot de muur van het kasteelcomplex zou zijn getransformeerd. De muurrichting lijkt te wijzen naar een punt op de noordgrens van de slotgracht bezuiden de erven van de Tolsteeg Zuidzijde (ongeveer de huidige duiker). Het kasteelcomplex kan voor de linkerhelft iets noordelijker hebben gereikt en voor oostelijke deel (bij de Wolpherensepoort als slotpoort) tot aan de Zuidvleugel van de Tolkazerne.

De stadsmuur is dan en bij de Tolsteeg en bij de Krabsteeg verdwenen om vanuit het kasteelcomplex bezien door middel van een open schootsveld tegelijk een open stad te creëren en eventuele opstanden of aanvallen vanuit de stad beter af te wenden. 12 Dat kon ook door voor het westelijke kasteelcomplex indien nodig een bredere gracht te verkrijgen door de waterstand te verhogen. De duiker bij het eerste Tolhuis en de zijl aan de zuidzijde van het kasteelcomplex boden immers de mogelijkheid om de waterstand te regelen. Het verklaart de flink brede gracht achter het rondeel op de kaart van Jacob van Deventer en de extreme watervlakte op de vogelvluchtkaart uit het derde kwart van de zestiende eeuw. 13

Bij laag water en goed weer kon het terrein van de waarschijnlijk niet of nauwelijks (met een rosmolen) bebouwde Krabsteeg fungeren als bleekveld. Oftewel ‘Op ’t oude bleyckvelt omtrent de brugghe daer men naer ’t casteel plach te gaan’ en het Bleyckstraatje, voordat de naam Krabsteeg in 1640 gebruikelijk werd. 14 De uitleg met de Pelwal bood wel de mogelijkheid om de stad hier ietsjes uit te breiden tot aan de bermsloot van de Pelwal. De bebouwing van de Krabsteeg-Zuidzijde kreeg zo relatief diepe percelen.

De duiker bezuiden de Tolsteeg had tot de sloop van het kasteelcomplex ook een militaire functie en herkreeg deze enigszins met de invulling van het Kazerneplein vanaf 1818, waar dit terrein door grachten werd omgeven en daarvoor het waterpeil nu constant en zo schoon mogelijk gehouden moest worden.

Annotaties:

1  W.F. Emck 1914, p.860-861.
2  Catharina L. van Groningen, De Alblasserwaard – DBNL 1992, p.129.
3  A. Keizer en W. Mazzola, Tolhuis te Gorinchem, historisch ondetzoek. Delfì, 1975.
4   Aron de Vries Aron de Vries, Op den Slot tot Gorinchem, 2017, p.27.
5  Catharina L. van Groningen, De Alblasserwaard – DBNL p.131, bij afb.131.
6  Catharina L. van Groningen, De Alblasserwaard – DBNL p. 130.
7  Veen 25 (1998-3) p.248; en in navolging: Van Zanten (30 november 2016), zie “geraadpleegde literatuur”.
8  Website www.archeologiegorinchem.com (projectenoverzicht, Krabsteeg (1983)),
    zie ook: Tien eeuwen Gorinchem. Geschiedenis van een Hollandse stad (2018) p.114].
9  Tijdschrift Holland (p.308).
10 Website https://www.archeologiegorinchem.com/krabsteeg-1983
11 Martin Veen, email van 30 december 2021 aan Bert Stamkot.
12 Hurx 116-4 (2017) 200; Van der Lof (1983) p.37-38.
13 Aron de Vries Aron de Vries, Op den Slot tot Gorinchem, 2017, p.65, afb.43; Hollandse.
    Waterlinie Erfgoedreeks, Vesting Gorinchem, Roel Mulder (2017) p. 8.
14 W.F. Emck 1914, p.52-53.

Geraadpleegde literatuur

  • Busch, A.J., ‘De Waterpoort’. In: Oud-Gorcum Varia, nr.15 (1989-2) 68-82.
  • Cerutti, Felix, e.a. (red.), Gorcum oude prenten nieuwe verhalen. Historische Vereniging Oud-Gorcum, Gorinchem, 2019.
  • Emck W.F., Oude namen van huizen en straten in Gorinchem. Gorinchem, juni 1914. [Zie ook: www.archeologiegorinchem.com ]
  • Groningen, Catharina L. van, De Alblasserwaard. Zeist/ Zwolle. 1992(2) (De Nederlandse monumenten van geschiedenis en kunst).
  • Hallewas, D.P., ‘Gorcum’. In: Holland, 10-6 (1978) p.322 (in rubriek: ‘Archeologische kroniek van Holland over 1983, II. Zuid-Holland).
  • Hermans, Taco, en Edwin Orsel, ‘De verbouwing van de Blauwe Toren te Gorinchem in 1522-1530. In: Rob Gruben en Taco Hermans          (eindred.),‘Zij waren van groote en zware steenen’, Recent onderzoek op het gebied van kastelen en buitenplaatsen in Nederland.            [Wijk bij Duurstede, 2018] (Stichting Kastelenstudies Nederland Publicatiereeks 1) 125-153.
  • Hurx, Merlijn, ‘“Een alten wonderlijcken structure ende forteresse”, De Blauwe Toren van Karel de Stoute in Gorinchem’. In: Bulletin [KNOB] 116-4 (2017) 184-208.
  • Jong, Jenneke de, De sleutel van Holland, Militaire gebouwen in Gorinchem. Stichting Merewade, Gorinchem, 1996 (Gorcumse       Monumentenreeks 4)
  • Keizer, A., en W. Mazzola, Tolhuis te Gorinchem, Historisch onderzoek. Delft, 1975 (scriptie TH Delft).
  • Köppen, Marcel, en Rien Robijns (red.), Veilige vesting, De versterking van de Gorcumse stadswallen. Hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden en de gemeente Gorinchem (28 september 2002).
  • Lof. R.V.C. van der, De Blauwe Toren te Gorinchem. Een bijdrage tot de kennis van een laat-Middeleeuws kasteel. Universiteit Utrecht, 1983 [scriptie].
  • Mulder, Roel, Vesting Gorinchem. Stokerkade cultuurhistorische uitgeverij, Amsterdam, 2017 (Hollandse Waterlinie Erfgoedreeks).
  • Peer, H.F. van, Gezicht op Gorcum, Beeld van een oude stad. Repro-Holland, Alphen aan den Rijn, 1971.
  • Stenvert, Ronald, e.a. (red.), Zuid-Holland. Zeist/ Zwolle, 2004 (Monumenten in Nederland 10).
  • Tissink, Fieke, en H.F. de Wit, Gorcumse schilders in de Gouden Eeuw. Stichting Merewade, Gorinchem, 1987 (Merewade 10).
  • Veen, M., ‘De Blauwe Toren’. In: OGV 25, nr.42 (1998-3) 280-284.
  • Verboom-Jansen, M., Gorinchem, Tolsteeg 6. Gemeente Gorinchem (ZH), Een archeologisch bureauonderzoek (BO). Transect, Nieuwegein, juli 2018 (Transect-rapport 1787). [zie: www.archeologiegorinchem.com ]
  • Vries, Aron de, Op den slot tot Gorinchem, De eerste bouwfase van het kasteel (1412-1460). Historische Vereniging Oud-Gorcum (Jaarboek   2017, Historische Reeks Oud-Gorcum 33).
  • Zanten, Dick van, ‘Blauwe Toren gevonden?’ [rubriek ‘Buitenbeentje’]. In: Gorcumse Courant (30 november 2016).