Kogels gevonden in Gorinchem

Ons lid Nick van Herwijnen gaat er regelmatig op uit met zijn metaaldetector om te kijken wat het verleden van de vesting Gorinchem aan bodemvondsten te bieden heeft. Hier een klein deel van zijn vondsten, in relatie tot de militaire geschiedenis, gevonden op de voormalige schietbaan van het garnizoen van Gorinchem.

Kogels gevonden door Nick van Herwijnen. Foto door Hugo Ouwerkerk.

Kogels gevonden door Nick van Herwijnen. Foto door Hugo Ouwerkerk.

Vanaf 1841 was er een schietbaan in Gorinchem, getuige een aantekening in het tweede garnizoensboek, over het “in gereedheid brengen van een emplacement op de buitenberm van het front 9-10 te Gorinchem, tot het schieten naar de schijf”.
In 1891 kwam er van het Departement van Oorlog de opdracht in Garnizoensplaatsen een schietbaan aan te leggen.

Schietbaan 1891, kaart Genie 1897, met ingetekende uitleg door Hugo Ouwerkerk.

Schietbaan 1891, kaart Genie 1897, met ingetekende uitleg door Hugo Ouwerkerk.

In Gorinchem werden op de locatie van de oude schietbaan, drie banen gemaakt van resp. 100, 150 en 200 meter. Hiervoor werden de bermen langs de linkerface van bastion IX en de courtine IX-X uitgekozen. Die plek tussen de wallen enerzijds en de brede gracht met ravelijnen anderzijds kon redelijk veilig worden geacht.
Bij die keuze was het mogelijk de drie banen alle op één punt te richten. Hierdoor kon men volstaan met één doel, dus met één observatiepost en ook met één kogelvanger (berg zand.
In het doosje met kogels:

Kogels gevonden door Nick van Herwijnen. Foto door Hugo Ouwerkerk.

Links onder:
Een vuursteengeweerkogel van het standaard Franse geweer model 1777 met een kaliber van 17,5 mm. De latere door het kersverse Verenigd koninkrijk der Nederlanden in Luik gekochte geweren M1815 No. 1 en No. 2 waren een verbeterde versie hiervan.
De kogel zelf zal dan een diameter van ca. 16 mm hebben.
Links midden:
Deze grote kogel is bijzonder en is waarschijnlijk een kogel van een z.g. “dubbelhaak”
ook walbus, of walgeweer genoemd. De walbus zag eruit als een gewoon geweer, maar was veel groter.
Ter vergelijk:
– Het geweer M1815 No. 1 had een lengte van 149,8 cm en een gewicht van 4,49 kg.
– De walbus had een lengte van 184 cm en een gewicht van 9,4 kg.

Militair geweer met gladde loop van het type M1815, met bajonet opgezet.
Museum Flehite. Gebruiksrecht http://www.europeana.eu/rights/rr-f/

Het bovenste wapen is een walbus uit de 18e eeuw. Wiki Commons, foto Flominator.
Creative Commons Attribution-Share Alike 3.0 Unported license.

De walbus werd gebruikt om vestingen en forten te verdedigen, voornamelijk voor het beschieten van sappeurs. Bij een belegering van een vesting hadden sappeurs de taak om als eerste een vesting te benaderen en dan z.g. “sappen” (naderingsloopgraven) te graven. Als er dus nog niets was naderden de sappeurs, schuilgaande achter een takkenbos o.i.d., die ze voor zich uitrolden en bij zijwaarts gaan naast zich meesleepten. Op de juiste plek aangekomen begonnen ze dan met graven.

Gebruik wilgenhout vestingbouw. Wikimedia Commons, collectie Deutsche Fotothek, publiek domein.

Op een flinke schietafstand bleven de ronde kogels uit de gewone geweren in zo’n takkenbos steken.
Dus er was een wapen nodig met meer slagkracht en met grotere precisie dan een kanon.
Daarvoor gebruikte men dus de walbus met een kaliber van 23,4 mm. In de 18e eeuw was dit wapen op grote schaal in gebruik maar in 1817 liet Nederland er  maar 500 opknappen, het werd toen echt een speciaal wapen, dus niet in grote getale voorhanden. Het wapen gaf een enorme terugslag en moest stevig tegen de borstwering gedrukt worden, of er werd zelfs een piketpaal in de grond geslagen, waartegen de kolf kon rusten i.p.v. de schouder van een man.
Bron: parate kennis en het boek Nederlandse vuurwapens, landmacht, marine en Koloniale troepen 1813-1866 door drs B.J. Martens en drs G. de Vries, ISBN 90-805583-4-6.
Een moderne “walbus”:

Barrett M82A1, kaliber 0.50 inch. Wiki Media Foto: Heavennearth
Creative Commons Attribution-Share Alike 3.0 Unported license.

De walbus was eigenlijk een vroege voorloper van moderne wapens als deze Barrett M82A1. Dergelijk wapens gebruikt men tegenwoordig, om van grote afstand tegenstanders uit te schakelen, die schuilgaan achter bakstenen muren of een lichte pantsering.
De 3 kogels op de 2e kolom van links:

Kogels gevonden door Nick van Herwijnen. Foto door Hugo Ouwerkerk.

Dit zijn afgeleiden van de Minié kogel, bedacht door de Fransman Claude-Etienne Minié in 1846. Deze kogel was een gevolg van de vinding van het geweer met de getrokken loop. Men trok aan de binnenzijde van de tot dan toe gladde loop spiraalvormige groeven.

Minié kogels. Wiki Commons, foto door Mike Cumpston.

De Minié kogels hadden een holle staart met meerdere groeven (verzwakkingen) rond de buitenzijde, waardoor de kogel kon uitzetten. Bij het afgaan van het buskruit werd de randen van die holle ruimte dus rondom naar buiten gedrukt en daardoor tegen de groeven in de geweerloop geperst. Door die spiraalvormige groeven ging de kogel om zijn as draaien. Dit gaf een stabiliserend effect en de kogel bleef hierdoor langer kaarsrecht vliegen. Daarom kon hiermee over grotere afstanden precies worden geschoten.
De originele Minié kogel had dus meerdere groeven. Echter de gevonden kogels hebben één groef en zijn de later verbeterde versie. Eén groef bleek dus voldoende te zijn. In Nederland noemde men die de “puntkogel” nieuw model.
De 4e kogel van links op deze foto is waarschijnlijk een kernstelsel kogel. Dit systeem is in 1844 ontwikkeld door de Franse kolonel Thouvenin. De geweren hiervoor hadden een stalen pen achter in het midden van kruitkamer, waar de kogel op kwam te rusten. hierdoor zette de kogel al uit bij hard aanstampen tijdens het laden. Dit werd dan ook een compressiekogel genoemd.

Dit zijn trekken (groeven) in een moderne kanonloop. Voor die tijd zaten er minder en grovere groeven in. In de getrokken geweren zaten bijvoorbeeld 5 groeven. Foto door Hugo Ouwerkerk.

Wapens met getrokken loop bestonden al langer, maar door het moeilijke laden werden deze alleen gebruikt door specialisten en dus niet door de gewone soldaten. Echter halverwege de 19e eeuw kwamen ze in algemeen gebruik.
De kleinere Minié kogels zijn van kleiner kaliber dan de 16,7 mm van de Nederlandse getrokken geweren en 14,3 mm van de Jagersbus (militaire jagers) model 1829 , dus waarschijnlijk uit het laatste kwartaal van de 19e eeuw, waarin kalibers van rond de 12 en 10 mm ook voorkwamen.
De bovenste kogel op de 2e kolom van links:

Kogels gevonden door Nick van Herwijnen. Foto door Hugo Ouwerkerk.

Kogels gevonden door Nick van Herwijnen. Foto door Hugo Ouwerkerk.

Dit is ook een kogel van een heel groot kaliber en waarschijnlijk ook voor een walbus.
Bestaande wapens werden ook van trekken (groeven) voorzien en misschien ook de overgebleven walbussen.
De derde kogel van links, boven:
Indien de doorsnede ca. 14 mm is, zou die van een getrokken Jagersbus model 1929 kunnen zijn.
Indien de doorsnede ca. 16 mm is, is die van een getrokken geweer of karabijn van na 1850 zijn.
De drie slanke kogels daaronder:
Deze zijn van het Mannlicher M.95 geweer, of de M95 karabijn, bij het Nederlandse leger ingevoerd in 1895. Deze wapens hadden een kaliber van 6,5 mm met een magazijn voor 5 patronen.

Mannlicher M.95 geweer. Wikimedia Commons, foto Armémuseum (The Swedish Army Museum).
Creative Commons Attribution-Share Alike 3.0 Unported license.

Dit zijn al moderne achterlaadwapens, die werken met een patroon welke een samenstel is van een metalen huls en de kogel. In de huls zit een slaghoedje (ontsteker) en de buskruit drijflading om de kogel uit de loop te schieten. De patroon wordt met een grendel mechanisme geladen en daarmee wordt ook de na het schot achtergebleven huls uit het geweer geworpen. Dat was dus de laatste innovatie eind 19e eeuw.
Voor gebruik bij de hiervoor behandelde kogels zat de buskruit drijflading in een papieren hulsje, wat eerst in de loop werd gestampt en dan de kogel. Daarvoor moest het papiertje tussen de tanden opengetrokken worden en het buskruit los in de loop worden gestrooid, en weer daarvoor goot men het buskruit uit een kruithoorn in de loop.
Tot slot:
Tot zover dit verhaaltje over gevonden kogels.
Zo ziet u dat een bodemvondst aanleiding kan zijn tot een uitgebreid verhaal.
Bron: parate kennis en het boek Nederlandse vuurwapens, landmacht, marine en Koloniale troepen 1813-1866 door drs B.J. Martens en drs G. de Vries, ISBN 90-805583-4-6.