De uitwatering en inundatie bij Gorinchem

De waterhuishouding van de polder en de inundaties van de Nieuwe Hollandse Waterlinie bij Gorinchem

Tip: In dit artikel worden kaarten in detail besproken. U kunt op de kaarten inzoomen met twee muisklikken, alle detail zien en het verhaal volgen.

In 1672 werd er voor het eerst een waterlinie gebruikt tussen Muiden aan de Zuiderzee (nu IJsselmeer) en Gorinchem, met een uitloper in Noord-Brabant. Dit om een invasie van de Fransen te stoppen in dit Rampjaar. In 1815 werd de waterlinie naar het oosten gebogen, om Utrecht binnen de waterlinie te krijgen. Dit werd dan ook eerst de Utrechtse Waterlinie genoemd en pas later de Nieuwe Hollandse Waterlinie, dus werd de originele waterlinie vanzelf de Oude Hollandse Waterlinie.

Dit is een prachtige kaart, bekijk deze maar eens vergroot. Het is een kaart van de Nieuwe Hollandse Waterlinie met alle vestingen en forten, als aanwezig in 1852. Echter ook weergegeven is een deel van de Zuider Waterlinie en de vesting Den Bosch met omliggende verdedigingswerken, o.m. het verschanste kamp Vught. (Nationaal Archief, 4.OSK-H97).

De Oude Hollandse Waterlinie werd nogal ad-hoc ingesteld door dijken en kades door te steken. Echter bij de aanleg van de Nieuwe Hollandse Waterlinie vanaf 1815 werd de manier waarop men het land onder water kon zetten verbeterd, het groeide uit tot een ingewikkeld systeem van sluizen, sluisjes, duikers, dammen en keerkaden. Het systeem werd tot aan de 2e Wereldoorlog verder verbeterd, om de tijdsduur, die nodig was tot het volledig inundatiepeil aanzienlijk te bekorten. Dat was nodig, omdat legers meer mobiel werden en dus sneller konden oprukken.

In 1860 berekende men dat het inunderen van de volledige waterlinie 26 dagen in beslag zou nemen. Ook was het zo dat voorheen vooral met Frankrijk als mogelijke vijand gerekend werd, maar na de Frans-Duitse oorlog in 1870 werd dit Duitsland. Dat was dichterbij, dus ook om die reden moest het inunderen versneld worden. Na verbetering van het inundatiesysteem, ging men er  in 1920 vanuit dat het inunderen 4 tot 6 dagen zou duren, uitgaande van een gemiddelde waterstand in de rivieren.
In 1940 bleek dat sommige delen zelfs binnen 2 dagen tot voorlopig peil waren geïnundeerd.

Kaart van de Hollandse Waterlinie, begin 20e eeuw, van het gebied beneden de rivier de Lek. http://www.oudestafkaarten.nl

In dit artikel beschouwen we de inundaties van de Nieuwe Hollandse Waterlinie bij Gorinchem. Hier liep de inundatie vanaf de vestingwal van Gorinchem ver door naar het oosten, tot iets voor de lijn Gellicum – Hellouw (zie het donkere gebied op bovenstaande kaart). Door die grote breedte van de inundatie in ons gebied, was Gorinchem tot aan de 1e Wereldoorlog beschermd tegen directe beschieting door vijandelijke artillerie, omdat het bereik van veldgeschut nog te beperkt was om die afstand te kunnen overbruggen.

Uitwatering

Om het inundatiesysteem te kunnen begrijpen moeten we eigenlijk eerst naar het poldersysteem kijken. In Nederland liggen de polders lager dan het waterniveau van de rivieren en zelfs vaak beneden zeeniveau. Daarom moet het door regenval overtollige water uit de polder gewerkt worden, omdat het dus niet vanzelf weg kan stromen.

Vroeger waren de rivierwaterstanden lager en waren deze ook nog sterk onderhevig aan het getij (eb en vloed). De dijken waren toen van sluizen voorzien, waardoor bij laag water (eb) het water uit de polder gelaten kon worden, via een wat bredere waterloop, een wetering, of vliet. Dit heet dan ook “uitwateren” en een sluis in de dijk, aangelegd voor dit doel, heet een uitwateringssluis.

Door het inklinken van de polders en het hoger worden van de rivierstanden lukte dat uitwateren steeds minder en ging men het uitwateringsniveau verhogen, door het polderwater d.m.v. polder(wind)molens op te malen tot een hoger niveau. De vliet richting uitwateringssluis kreeg kades. Op die kades stonden de poldermolens, welke het water uit de sloten in de polder opmaalden naar een hoger niveau in de brede vliet. Hier werd dus het overtollige water van de polder verzameld en via de uitwateringssluis uitgelaten. Zo’n vliet werd dan ook “boezem” genoemd.

Fragment van een kaart uit 1776. Nationaal Archief 4-OPV-G74.

Op de bovenstaande kaart uit 1776 zijn deze zaken mooi te volgen. Het meest westelijk deel van de Tielerwaard (hier links) is het laagste deel van die waard en eindigt tegen de Lingsesdijk bij Gorinchem.

We beginnen met de Laag Dalemse Molens:

Nummer 1, hier staat aan de Laag Dalemsedijk een Laag Dalemse molen, waar een Laag Dalemse vliet op aan loopt. Bij nummer 2 staat een 2e Laag Dalemse molen, met dezelfde situatie. Beide molens malen het water uit de vlieten naar een moerassig gebied (3), wat als boezem dienst doet. Dit gebied is omsloten door de Laag Dalemsedijk en de Lingsesdijk. Nummer 4 is een sluis, waardoor dit water buitendijks tussen hoge kades wordt geleid naar de ”Bũiten Laag Dalemsche” molen die het water naar de Linge maalt.

Het Wijdschilt is hier nog omgeven door lage kades en het Glacis van de vesting Gorinchem. Dit gebied ligt wat hoger en heeft een eigen uitwatering via de bij de Laag Dalemse buitenmolen aangegeven de “Hoũte Sluis”. Waarschijnlijk waren er ook nog damsluisjes bij het Glacis, maar die staan niet aangegeven. Het gebied Wijdschilt had geen dijken, alleen lage kades. Bij hoog water in de winter stroomden hier de Merwede en de Linge naar elkaar toe, tussen de vestingwal en de Lingsesdijk. De overige op deze kaart aangegeven molens zijn zaagmolens, pelmolens, of korenmolens.

Foto ca. 1895: De Hoog Dalemse Molens met daar tussenin de Vurense buitenmolen. Afbeelding uit de Nieuwsbrief van de stichting Vrienden van de Gorcumse molens, nr. 4 maart 1998.

Vervolgens de Hoog Dalemse molens:

Nummer 6, dit is de ondermolen van de Hoog-Dalemse molens, waarop de “Hoog Dalems Molen Vliet” aanloopt. Deze molen maalt het water uit de vliet op, in een rond de molen lopende boezem, die als moerasgebied is aangegeven. Vanuit de boezem loopt de vliet via een duikersluisje onder de Lingsesdijk door naar nummer 7, de bovenmolen (ook wel Schommelmolen genoemd). De bovenmolen maalt het water uit de boezem naar de Oostgracht van Gorinchem, die dus dienst doet als hoge boezem. Vanuit de Oostgracht kon uitgewaterd worden op de Merwede bij de Dalempoort, maar vooral op de Linge via nummer 8, het sluisje in de dam tussen bastion 11 en het 4e Ravelijn.

De relicten van de Hoog Dalemse molens:

De ingang van de watergang (met drempel) van de benedenmolen.

Het water op deze foto is hetgeen wat is overgebleven van de Hoog Dalemse Molen Vliet. In het midden is een donker gat met gemetseld gewelf te zien. Dat is de ingang van de watergang naar de benedenmolen. Het gebouwtje staat op de funderingen van die molen. Nadat ze vanwege de bouw van een gemaal, niet meer werden gebruikt, zijn Hoog Dalemse Molens afgebroken. De Schommelmolen is al in 1916 afgebroken, de benedenmolen in de 2e Wereldoorlog. Wegens gebrek aan hout en ander bouwmateriaal, kon men toen het sloopmateriaal van de molen goed gebruiken.

De watergang waar het scheprad in draaide van de benedenmolen.

Het water stroomt nog steeds door de watergang van de Hoog Dalemse benedenmolen, echter nu in omgekeerde richting, omdat elektrische pompen aan de zijde van de voormalige Hoog Dalemse Molen Vliet het water daar wegpompen. Uiteindelijk verzorgd het elektrisch gemaal in de Lingedijk bij de voormalige Broeksesluis (in bedrijf genomen in 1961) nu de uitwatering van de Dalemse, Vurense, Herwijnense polder. Dit met een pompcapaciteit van 540 m3 water per minuut en een opvoerhoogte van 2,5 m. Hierdoor is de stroomrichting van het water nu dus over het algemeen tegengesteld aan wat vroeger gebruikelijk was.

Zie filmpje:      https://youtu.be/aJHAYDgTJhw

De watergang naar de bovenmolen (Schommelmolen).

Op de deze foto kijken we richting de locatie van de voormalige benedenmolen achter de Lingsesdijk. Het water uit die boezem komt via een duikersluis onder de Lingsesdijk door naar de bovenmolen (Schommelmolen), die het water uit de polder Hoog Dalem naar de Gorinchemse Oostgracht opmaalde.

Dam- of wachtsluisje van de Schommelmolen, die stond rechts daarvan.

Foto ca. 1895: De Schommelmolen en de Vurense Buitenmolen. Rechts staat de Hoog Dalemse benedenmolen, hier net niet op de foto. Oud-Gorcum varia nr. 34.

Terug naar de kaart:

Nummer 9, de Grote Dalemsesluis. Hier is te zien, dat er geen brede waterlopen naar deze grote sluis lopen en dat de molens dus geen water daar naar toe malen om uit te wateren. Dat is heel vreemd. De uitwateringssluizen waren meestal niet zo groot, maar in gebieden waar vaak sprake was van wateroverlast door overstroming werden ook grote uitwateringsluizen gebouwd om het overstromingswater snel de polder uit te kunnen laten stromen. Dit worden ook wel ontlastingssluizen genoemd. De Dalemsesluis is dus zo’n ontlastingssluis. Ook werden in die gebieden wel z.g. “overlaten” in de dijk aangebracht. Dat waren wat lagere stukken in de dijk.

Fragment schetskaart der Defensie-linie van den Diefdijk en van de Linge-Dijken 1855-1860. RIC Zuidoost Utrecht Id. nr. P.29.2 (065437)

Op bovenstaande kaart van veel later (halverwege de 19e eeuw) zijn de uitwaterings- en ontlastingssluizen nog bijna allemaal aanwezig. Vanaf Gorinchem gezien in de Lingedijken o.a. de sluis bij de Vijfde Uitgang (hier aangegeven als sluis bastion XI), de Laagdalemsesluis, de Spijksesluis, de Broeksesluis en de Heukelumse Boezemsluis.

Vanaf Gorinchem langs de Dalemsedijk en de Waaldijk o.a. een duikersluis bij het Wijdschilt, de Dalemsesluis en de Herwijnensesluis. De Vurensesluis is al verdwenen, de polder van Vuren had daarna een lange uitwateringsroute door de Dalemsepolder, via het hier aangegeven “Nieuwe Kanaal”, dan via een duikersluis onder de Lingsesdijk door en een brede sloot naar een nog bestaand (en gerestaureerd sluisje) in het Glacis naar de Gorinchemse Oostgracht en vandaar naar de Linge.

Ook de Herwijnenese polder waterde al van voor 1553 af via de lange Herwijnensche Wetering door de Vurense polder heen vlak voor de Dalemse Zeiving, dus lager op de rivier. Verder zijn de gearceerde gebieden in de dijken de overlaten, waarbij opvalt, dat de Dalemsedijk bijna helemaal een overlaat is.

Een overlaat was vaak bedoeld om bij watersnood het water daar eerst gecontroleerd over de dijk te laten lopen in een deel van de polder waar dat niet veel kwaad kon. Zodoende werd dan de rest van de dijk ontlast tegen grote doorbraken. In ons gebied echter kwam bij een doorbraak in het oosten van de Tielerwaard het water hier in de polder heel hoog te staan, dus dienden de overlaten om het water uit te laten en werd de overlaat daarvoor soms ook afgegraven. Kijk maar eens naar het op de kaart aangegeven “Hoogte van het inundatiewater te Gorinchem 15 maart 1855, zijnde 3,79 el + AP. In die tijd was de el al gelijkgesteld met een meter. Dat is dus over het algemeen een waterstand van meer als 3,8 meter boven de grond in dat gebied, wat op of beneden NAP ligt.

De Linge van den Diefdijk tot Gorinchem, kaart uit 1825 (bekijk deze vergroot a.u.b.). Gelders archief 434

Dit is ook een hele mooie kaart van o.a. alle uitwateringen op de Linge. Daarbij valt op, dat er in de zuidoostpunt van de Vijf Heeren Landen, bij Arkel, bij de Arkelse dam, een heel groot molencomplex is, van wel tien molens, voor de uitwatering van die waard. Meer molens waren nodig, want het proces van inklinken en stijgend water ging voort en gaf vooral in najaar, winter en voorjaar problemen. Een poldermolen kon tot 1,5 m opmalen en dat werd dus onvoldoende, waardoor er met meerdere trappen gewerkt moest worden, men sprak dan ook van een “lage boezem” en een “hoge boezem” en van een “ondermolen” en een “bovenmolen”. Soms moest er zelfs in drie trappen uitgemalen worden, waarvoor soms de laatste molen op een kade bij de rivier, of buiten de eigen polder werd geplaatst. Die werd dan buitenmolen genoemd.

Stoomgemaal Constantia Adriana van de polder Dalem. Pentekening uit 1993 door J.J.G. Pauw, Oud-Gorcum Varia no. 44.

Bij het grote molencomplex aan “den Arkelschen Dam” werd in 1825 ook het eerste goed werkende stoomgemaal van Nederland gebouw. Ook in Laag Dalem was men er vroeg bij met de inbedrijfstelling in 1871 van het stoomgemaal Constantia Adriana bij de Laag Dalemse sluis. Uiteindelijk werden uitwateringssluizen vervangen door gemalen op de dijk, die ook alle molens en sluizen vervingen, omdat de gemalen in één keer de benodigde capaciteit en uitmaalhoogte konden bemalen. Hierdoor bleven in de dijken alleen die sluizen over, die ook een inundatiefunctie vervulden.

Het fijnmazige poldersysteem rond de vesting Gorinchem (met de geheime vestingwerken wit gemaakt). Kadaster Topotijdreis – ESRI

In de polders was een heel netwerk van sloten, weteringen, vlieten, boezems, kades, water regulerende dammetjes, duikers en sluisjes. Die polders hadden allemaal een eigen bestuur en regels, die het waterniveau in elke polder bepaalden en ook wanneer mocht worden afgewaterd naar een naastgelegen polder. De polders waren dan ook van elkaar gescheiden door zij-kades, waarin zich z.g. duikersluisjes bevonden voor uitwatering naar de naastgelegen polders.

De Vurense afwatering komt hier aan.                                                                                                  Foto Hugo Ouwerkerk

En liep vroeger door naar de Vurensesluis in de Waaldijk.                                                                  Foto Hugo Ouwerkerk

De Poldersekade op deze foto’s is de scheiding tussen de Vurense afwatering (de Vurensevliet) en de Herwijnense afwatering (de Herwijnense wetering). Het Vurense water liep vroeger door de Vurensesluis in de Waaldijk, dan via een afwateringskanaal door de uiterwaard parallel aan de Waaldijk tot bij fort Vuren, waar via nog een sluisje in de zomerkade het water uiteindelijk in de Waal liep. Op die locatie is nu een betonnen brug t.b.v. het struinpad door de uiterwaard. De Vurensesluis in de Waaldijk is er ook al lang niet meer en was waarschijnlijk een duikersluis. De polder Vuren waterde tevens af (als eerder besproken) in de Oostgracht bij Gorinchem.

Aan de andere zijde van de Poldersekade ligt de Herwijnense Wetering, welke dus binnendijks afboog richting fort Vuren en daar uitkwam in de fortgracht, die via de uitwaterings/inundatiesluis van fort Vuren uitwaterde op de Waal. Later kwam er aan het eind van die wetering een stoomgemaal, wat dan opmaalde op de fortgracht en dan via de sluis in de Waaldijk aan de zuidwestzijde van het fort, naar buiten. Deze sluis is later een duikersluis geworden, die nog steeds bestaat.

Deze Duikersluis verbindt de Vurense en Herwijnense uitwatering.                                                    Foto Hugo Ouwerkerk

Duikersluis in de Waaldijk bij fort Vuren.                                                                                               Foto Hugo Ouwerkerk

Die zijkades zijn nog herkenbaar aan de namen op wegnaambordjes; ze heten vaak Zeiving of Zeevang. Wanneer een polder dus zijn overtollig water niet kwijt kon via de eigen uitwatering op een rivier, dan probeerde men uit te wateren op de naastgelegen polder, die dan hopelijk een stukje verderop de rivier, waar de waterstand dan iets lager zou zijn, wel kon uitwateren. Een enkele polder is dus meestal niet omgeven door een rivierdijk, een verzameling polders wel. Dat heet dan een waard. In dit geval kijken we naar de Tielerwaard. Tot zover het poldersysteem.

De Dalemse Zeiving kruist provinciale weg en loopt door tot de Waaldijk, met zicht op fort Vuren.

Inundatie

Inundatie is het tegenovergestelde van uitwateren en hier doen zich dan ook tegenovergestelde moeilijkheden voor. In de zomer waren de rivierstanden vaak te laag om snel en voldoende te kunnen inunderen. Verder bleven de kades, die de waterstanden en uitwatering in de polders reguleerden over het algemeen boven het inundatiepeil en moesten de zich daarin bevindende duikersluizen en damsluizen ook worden opengezet om het volledige te inunderen gebied ook daadwerkelijk onder water te kunnen zetten. Andere sluizen moesten juist dichtgezet worden wanneer zo’n kade als keerkade achter de inundatie dienst moest doen.

Damsluis met schotbalken hijsinstallatie bij fort Vuren.                                                                      Foto Hugo Ouwerkerk.

Twee rijen schotbalken geplaatst, maar ze zijn niet in al te beste conditie.                                       Foto Hugo Ouwerkerk.

De bovenstaande foto’s zijn van de damsluis tussen de gracht van fort Vuren en de voormalige Herwijnense Wetering (nu gedempt) en nabij de locatie van het verdwenen  Herwijnense gemaal. Dit gemaal is in 1940 afgebroken om het schootveld van fort Vuren vrij te maken.

Duikersluisje in de Dalemse Zeiving.                                                                                                     Foto Hugo Ouwerkerk

Waterniveau regulerend (modern) damsluisje.                                                                                   Foto Hugo Ouwerkerk

Duiker in de Dalemse Zeiving.                                                                                                                 Foto Hugo Ouwerkerk

Vervallen damsluis bij de vroegere Heukelumsesluis en het latere gemaal (op de achtergrond).     Foto Hugo Ouwerkerk

Al dit soort waterbouwkundige kunstwerken en werkjes in de dijken en in de polders werden dus ook gebruikt om te inunderen, om het inundatiewater te verdelen over de polders en om het water binnen te houden.

 

Dalemsesluis.                                                                                                                                            Foto Hugo Ouwerkerk

De meeste mensen uit Gorinchem en omgeving kennen wel de Dalemsesluis als de grote inundatiesluis van de Hollandse Waterlinie. Echter de hoofdfunctie was die van uitwateringssluis voor overtollig water, vooral na een overstroming of inundatie. De rivierstand van de Merwede was vaak niet hoog genoeg om via deze sluis te inunderen of snel genoeg te kunnen inunderen.

Nee, de hoofdinlaatsluis voor de inundatie van de Nieuwe  Hollandse Waterlinie in dit gebied was een inundatiesluis in de Lingedijk bij fort Asperen. Dit kwam, omdat men voor de inundatie van het gebied tussen de rivieren de Lek en de Waal niet afhankelijk wilde zijn van de grillen van die rivieren, want bij lage waterstanden duurde het inunderen te lang, terwijl men de Linge hoog kon “opzetten”.

De inundatiesluis bij fort Asperen in werking in 1940. http://encyclopedie-van-de-waterlinie.123website.nl/337982619

Men heeft het inunderen weten te bespoedigen, door veel hoger op een grote rivier water in te nemen. Dat hogere punt was bij Tiel. Hier komt de rivier de Linge dichtbij de Waal, dus door het in 1878 graven van een kort inundatiekanaal kon de Linge gevoed worden met water uit de Waal.

Zoveel kilometer meer naar het oosten, was de rivierstand hoger en daardoor was het probleem van een te lage rivierstand ten opzichte van het inundatiepeil in het inundatiegebied grotendeels opgelost. De snelheid van inunderen werd hierdoor teruggebracht van ca. 3 weken tot enkele dagen. De rivier de Linge bracht dus dit hoge peil naar het inundatiegebied. In de Lingesluizen bij Gorinchem en bij Asperen werden schotbalken in de sluizen gezet tot op een hoogte voor het in de Linge te handhaven hoogwaterniveau.

De Linge werd “hoog opgezet” heette dat, het water kon niet weglopen en zo vormde de Linge ook nog eens een buffervoorraad om de inundaties “bij te vullen”, want op zo’n grote wateroppervlakte verdampte er veel water en er was ook waterverlies door de grond, onder kades door en door wat lekkage van de diverse sluizen. Dus de inundatie moest vanuit de Linge ook onderhouden worden. Tevens was de buffer nodig indien een aanvaller Tiel zou veroveren en er geen water uit de Waal meer op de Linge gelaten werd.

Hoogwater in de rivier de Linge.                                                                                                              Herkomst onbekend.

De inundatie verliep in stappen van diverse voorbereidingsniveaus tot (volledig) inundatiepeil. Dit was vastgelegd in de Algemene Inundatie Instructie onder punt 68 (in 1940 actueel), als volgt:

Indeling in periodes:

  1. De werkzaamheden betreffen het op het terrein voorbereiden, het stellen en onderhouden
    van de inundatiën worden verdeeld in 5 periodes, welke de behoudens in de B.I.’s vervatte uitzonderingen, de volgende betekenis hebben (verkort weergegeven):

1e periode:

Voorbereidende werkzaamheden, waarvoor geen vergunningen nodig zijn.
Treedt in werking na ontvangst van telegram B (voormobilisatie).

2e periode:

De bevoegdheden uit art. 2 en 3 van de Inundatiewet treden in werking voor het te inunderen gebied. Echter pas na ontvangst van het inundatiebevel 2e periode, waarbij de normale maatschappelijke en waterstaatkundige toestand in het gebied blijft gehandhaafd.

3e periode:

Treedt in na ontvangst inundatiebevel 3e periode. Deze periode gaat onmiddellijk vooraf aan de feitelijke inundering, de laatste voorbereidingsmaatregelen worden genomen, zonder rekening te houden met maatschappelijke of waterstaatkundige toestanden. Er wordt nu uitsluitend rekening gehouden met verdedigingsbelang. Er wordt water ingelaten in de boezems en het veld tot het voorbereidingspeil.

4e periode:

Ook weer na dit inundatiebevel. Er word verder water ingelaten tot het stellen en onderhouden van het voorlopig inundatiepeil.

5e periode:

Idem tot inundatiepeil (volledig inundatiepeil).

De inundatiekaart van inundatiestation no. 17 Gorinchem en inundatiestation no. 18 Poederoijen aansluitend.      http://encyclopedie-van-de-waterlinie.123website.nl/337982619

Bovenstaande inundatiekaarten geven met veel details een goede indruk van de inundatie van de Nieuwe Hollandse Waterlinie bij de vesting Gorinchem, tussen de lijn fort Vuren – Broeksesluis en Herwijnen – Gellicum. Alle waterwerken, die een rol spelen zijn in rood op deze kaarten aangegeven.

Rechtsboven bij fort Asperen, ziet u, dat bij de inundatiesluis (nr. 44) voor ons gebied, er al direct een strook hoge grond ligt, waarop ook het fort aan de Nieuwe Steeg ligt. Hierdoor loopt het inundatiewater vanuit de sluis over een smalle strook land, langs de dijk voordat het zich in de polder verspreidt. Uit de informatie op deze kaart blijkt ook, dat ondanks de aanwezigheid van diverse duikersluisjes in de polder, men toch nog een aantal kades in de polder moet doorgraven (coupures maken). Zie linksboven op de kaart de kaartsymbolen in de toelichting. Het symbool voor een coupure is twee kruisjes met een waaier dat aangeeft naar welke zijde het water door de coupure stroomt. Zoek ze maar eens op, op de kaart.

De wegen en kades zijn met drie kleuren aangegeven, geel, oranje/bruin-achtig en inundatiegroen. Daarmee geeft men aan, dat bij het voorlopig peil de groene wegen onder water gaan en dat bij volledig peil de oranje/bruin-achtige wegen en kades onder water gaan. Alleen de gele kades blijven bij volledig peil boven de inundatie uitsteken.

Het groene gebied op de kaart geeft de inundatie bij voorlopig peil aan. Bij de rivier de Waal ziet u een donkergroene kronkelige grens aangegeven. Tot zover strekt de inundatie zich uit bij “inundatiepeil” (volledig peil). Het nut van het voorlopig peil is, dat er dan nog voldoende wegen bruikbaar zijn om voor de waterlinie liggende troepen hierover terug te kunnen trekken achter de waterlinie, waarna men binnen een dag, of misschien een nacht de waterstand kan verhogen naar volledig peil.

Kaart met de waterbouwkundige werken voor de uitwatering op de Waal van de polders Herwijnen en Vuren. Herkomst onbekend.

Op bovenstaande kaart zijn alle waterbouwkundige kunstwerken bij fort Vuren te zien. Deze speelden alle ook een rol bij het inunderen.
Met bruin aangegeven het fort. Midden rechts daarvan in rood het Herwijnense gemaal, met in bruin onderlangs de Waaldijk de uitloper van de Herwijnense Wetering. Meer naar rechts de Poldersekade, met rechts daarvan de Vurensesluis in de Waaldijk. Vanaf die sluis ziet u de watergang door de uiterwaarden naar een sluisje tegen het Glacis van fort Vuren.

Links van fort Vuren is in rood aangegeven de uitwaterings-/inundatie sluis van fort Vuren, waardoor dus de polder Herwijnen uitwaterde via de gracht van fort Vuren.

Links van fort Vuren de Dalemse Zeiving. Dit was samen met de voorliggende kades van de Herwijnense Wetering een keerkade. De hierin aanwezige sluisjes en duikers (in rood aangegeven), moesten dus dichtgezet worden.

Alle waterbouwkundige kunstwerken in en bij de vesting Gorinchem. Herkomst onbekend.

De meeste waterbouwkundige kunstwerken op deze kaart hadden ook een functie bij het inunderen.

117
De sluizen bij de brug van Ceelen moesten dichtgezet zijn met schotbalken t.b.v. het opzetten van de Linge tot bufferniveau voor de inundatie van de waterlinie.

122
De Korenbrugsluis idem.

123
De schuif in de duikersluis voor de uitwatering van de Bovenstad moest dichtgedraaid zijn.

135 (rechtsonder)
De Grote Dalemsesluis moest voorzien zijn van schotbalken tot inundatieniveau. Dus bij een hogere stand van de rivier stroomde water in tot het inundatieniveau was bereikt. Dan moesten de sluisdeuren dicht om de inundatie niet te overvoeren. Bij een lagere waterstand werd het wegstromen van het inundatiewater voorkomen door de schotbalken tot inundatieniveau.

137 (boven)
De Laag Dalemse Sluis in de Lingedijk moest dicht staan en het stoomgemaal Constantia Adriana mocht niet werken.

124
De sluis in de Vijfde Uitgang moest dicht zijn, zodat het water uit de hoge Linge niet via de
vestinggracht afliep naar de Merwede en Wijdschilt.

Om het weglekken van water in naastgelegen delen van de polders tegen te gaan, zal daar ook veel water in de polders gehouden zijn. Daarom moesten daar ook alle duikersluizen dicht staan. Dus op deze kaart zijn dat de in rood aangegeven sluizen en duikers in het glacis van de vesting Gorinchem, die in de Lingsesdijk en de Laag Dalemsedijk, inclusief de watergangen van de Laag Dalemse- en Hoog Dalemse molens. Bij hoog water moesten de duikersluizen ook af en toe weer open, om water in te laten om dit hoge polderniveau te handhaven.

Bij gebrek aan foto’s van de inundatie bij Gorinchem, deze foto met geopende inundatiesluis bij Woudrichem. Herkomst onbekend.

Dus de inundaties en omliggende polderdelen hadden constant aandacht nodig, om de inundatie te kunnen handhaven. Hiervoor was dan ook een organisatie aanwezig van enige militairen van de Genie, die hiervoor zorg moesten dragen. Die waren georganiseerd in z.g. inundatiestations (zoals we op de kaart al gezien hebben), die verantwoordelijk waren voor de inundaties in een bepaald gebied. In 1940 was hiervoor in Gorinchem bij de legergroep Merwede aanwezig kolonel L.J. Spanjaerdt-Speckman. Hij werd op vrijdagavond 12 april 1940 dan ook geroepen bij een door de comités “Afvoer burgerbevolking” en “voedselvoorziening in oorlogstijd” georganiseerde vergadering van burgermeesters en gemeentesecretarissen uit het te inunderen gebied.

Hij kon echter niets zeggen, omdat hij nog niet de eerder genoemde periodebevelen volgens de Algemene Inundatie Instructie ontvangen had. Het zal er waarschijnlijk over gegaan zijn, wanneer de inundatie gesteld werd en welke wegen na inundatie bruikbaar bleven. En gezien de inundatiekaarten en de hoge rang van deze officier, had deze toch wel enige zelfstandigheid kunnen tonen en adviezen kunnen geven. Echter volgens zijn eigen verslag dus niet, terwijl in het weekend de bevolking van het te inunderen gebied al geëvacueerd werd en op maandag al begonnen werd met inunderen. Volgens zijn zeggen wilden de civiele autoriteiten wachten tot “ze de laatste aardappel gered hadden”. Dus dat zal zijn terughoudendheid ook wel verklaren.

De opstelling van de Landmacht aan het oostfront in mei 1940. Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH).

Met horizontale bruine streepjes zijn de inundaties aangegeven. U ziet hier dat van de Nieuwe Hollandse Waterlinie (officieel Oostfront Vesting Holland genoemd) de inundatie alleen is gesteld ten oosten van Gorinchem en ten zuiden van Gorinchem in het land van Altena.
Dit kwam omdat het belang van het gebied bij Gorinchem was toegenomen en weer de aloude rol van hoeksteen in ’s lands verdediging ging spelen. Dit vanwege de nieuwe (in februari 1940), bedachte strategie van de nieuwe Opperbevelhebber Land- en Zeestrijdkrachten (de OLZ), generaal Winkelman. Volgens deze strategie, zou Noord-Brabant alleen maar vertragend verdedigd worden en moest het gros van de troepen, die daar lagen op de 1e oorlogsdag, zich verplaatsen naar binnen de Vesting Holland, waarvan het zuidfront vanaf Asperen langs de Linge werd verlengd richting Betuwestelling. De Waterlinie bij Gorinchem werd zo het fundament, waarop deze zogenoemde “Linge-Waal-stelling” steunde.

De inundaties ten oosten van Gorinchem op 13 mei 1940. Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH).

Hiervoor werd ook de inundatie bij Gorinchem verlengd door een inundatiestrook ten zuiden van de rivier de Linge (de lichte horizontale streepjes). Dus de roemruchte Nieuwe Hollandse Waterlinie ter verdediging van Holland, werd voor de laatste maal onder Nederlands gezag, volledig in werking gesteld bij de vesting Gorinchem.

In 1944 werden de inundatie nog een keer gesteld door de Duitsers, toen deze zich in Nederland ter verdediging moesten inrichten tegen de geallieerde legers, die vanuit het zuiden en het oosten richting Holland oprukten.

Tot slot

Nieuwsgierig geworden?
Nou, als u bij mooi weer een stukje gaat fietsen, neemt u toch gewoon dit verhaal mee en probeert u de overgebleven waterbouwkundige kunstwerkjes te vinden, dan wordt het tastbaar en kunt u deze geschiedenis zelf beleven. Hiermee besluit ik dit verhaal over de inundaties bij Gorinchem.

Schrijver:            Hugo Ouwerkerk
Redactie:            Guus Haandrikman en Joop Kuijntjes.
Werkgroep Vesting Gorinchem.
Onderdeel van de Historische Vereniging Oud-Gorcum.

Bronnen:

  • Boek: Geschiedenis van de heerlijkheid Vuren, door Aart Bijl een uitgave van de Historische Vereniging “De Heerlijkheid Vuren”, september 2015. ISBN 978-90-800831-9-6.
  • Oud-Gorcum Varia nr. 31, HET DALEMSE GEMAAL, door H.C. van Maanen, streekarchivaris West-Betuwe.
  • Oud-Gorcum Varia nr. 34, De zogenaamde “Schommelmolen” van de Polder Dalem, door A.L. van Tiel.
  • De Nederlandse Gemalen Stichting https://www.gemalen.nl/geschiedenis.asp en https://www.gemalen.nl/gemaal_detail.asp?gem_id=225, gemaal Spijk/Broeksesluis.
  • Boek: De Hollandse Waterlinie, Red. H. Brand en J. Brand, 1986, ISBN 90 204 25331.
  • Boek: Sterk Water, door Chris Will, 2002, ISBN 90 5345 2044.
  • Jaarboek Monumentenzorg 2004, artikel “Op weerstand gebouwd”. Verdedigingslinies als militair erfgoed, door Anne Visser.
  • Internet site: http://www.zuidfront-holland1940.nl/
  • Verslag nr. 1664 “Het stellen van inundatiën in 1940” door kolonel L.J. Spanjaerdt-Speckman, d.d. 30 september 1953, in archief bij het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH), beschikbaar gesteld via https://www.archieven.nl/.